woensdag 29 juni 2011

Sunset Park

Vijf minuten geleden las ik Sunset Park uit, de ijzersterke nieuwe roman van Paul Auster. Een roman die de ware Leviathan-spirit weer doet opleven, met ontzettend goed uitgewerkte personages die weten wat ze willen, met elk zo'n sterke persoonlijkheid dat je begint te denken dat de andere 90% van de wereldbevolking wel één en dezelfde persoon moet zijn, gekneed en bewerkt door de maatschappij, met een individualiteitsgehalte van ver onder nul. De personages van deze roman - een drummer, een tekenaar, een thesisstudente en een jongen op de vlucht voor zijn familie en in ballingschap voor de liefde - leven onder het motto Non Serviam in een kraakpand niet ver van Sunset Park in Brooklyn, NY. Ze kiezen niet voor de gemakkelijkste manier van leven en hebben in het verleden al door heel wat moeilijke watertjes moeten zwemmen. Elk van hen probeert het geluk en de kans op een normaal leven na te streven, maar dat blijkt niet zo gemakkelijk te zijn. Sunset Park doet een kritische lezer zuchten bij alle kleine regeltjes die onze vrijheid drastisch kunnen inperken. Zo moeten de 28-jarige Miles en de minderjarige Pilar maandenlang ver van elkaar leven omdat de wet het zo voorschrijft en omdat Miles anders naar de gevangenis moet. Ook kraken is natuurlijk verboden, maar je kan jezelf de vraag stellen in hoeverre dit een misdrijf is als je er niemand mee kwaad doet. Maandenlang is het kraakpand een tempel van cultuur, kunst, literatuur, muziek, liefde. Jammer dat de staat, en hun schoothondjes van de politie, over zulke dingen anders hebben beslist en voor de volle 100% volgens het boekje leven. Je kan je dan nog afvragen in hoeverre de politie de burger 'beschermt'. Onschuldige dromers en mensen die gewoon willen gelukkig zijn, gewoon willen... zijn, wier leven op enkele ogenblikken om zeep wordt geholpen door een politieinval of een absurde arrestatie, ik zou ze de kost niet willen geven...
Sunset Park doet al het bloed naar het hoofd stijgen. Het wekt de geest van Benjamin Sachs uit Leviathan weer maar eens op. Het illustreert dat Thomas Hobbes' eeuwenoude tekst nog steeds springlevend is, en dat de chaos de wereld nog niet uit is. De chaos en de honger naar macht. De chaos en de bijna militaire drang naar conformisme.
Op sommige momenten is de lezer vertederd door de kracht van de liefde, de belangrijke maar niet altijd zo gemakkelijke band tussen vader en zoon - mooi geïllustreerd in enkele ware Homeriaanse passages - het belang van vriendschap, de nood van elke mens aan fysiek contact, het bewonderenswaardige aan mensen met een passie, mensen die in iets geloven en ervoor willen vechten, verenigingen zoals PEN, waar Auster de Amerikaanse voorzitter van is, die het verschil willen maken. Andere momenten doen de lezer koken van woede over al het onrecht in de wereld, de hypocrisie van Amerika (enkel Amerika?); de Chinese staat die andersdenkenden nog steeds zonder proces vasthouden, ver weg van hun geliefden; de politie die vaak als beesten in plaats van als mensen 'hun werk doen', lijnrecht volgens de wet, en zonder enige uitzondering iedereen die deze strikte regels niet naleven de armbandjes omdoen; een deel van de moslimbevolking die, zonder Rushdie ooit te hebben gelezen, zich een mening laten aanpraten door hun leider-met-de-baard, en eisen dat deze eigentijdse, postmoderne Voltaire en zijn vertalers sterven; de vele mensen die hun naasten zulke erge dingen aandoen dat hun leven drastisch verandert, omdat deze mensen nog veel te hard vasthouden aan vastgeroeste, van kop tot teen verlamde waarden, normen en principes die alle voeling met de realiteit lijken te hebben verloren (religie, overdreven respect voor de wet, overdreven respect voor familie...); de slechte staat waarin de literatuur zich bevindt en de steeds afnemende interesse in de letteren. Alles lijkt in deze roman te zijn gebald, als een vuist. Een vuist die net als in Leviathan lijkt te zijn gericht op de hypocrisie en alles wat er voor de rest nog mis is met Amerika, met de wereld.
Het is duidelijk. Paul Austers personages zijn vaak bewonderenswaardige figuren die zich in een moeilijke strijd bevinden en daarom ook vaak onvergefelijke fouten maken, maar die in hun hart oprecht blijven en de op voorhand al verloren strijd tegen het manipulerende conformisme en tegen de overheid, die alle vormen van volgens hen al te afwijkende vrijheid willen afnemen. Zijn personages bloeden uit vele wonden, die wellicht nooit zullen helen, al doen ze nog zo hun best om de draad weer op te pikken. Ze zijn amper opgewassen tegen de wereld, die het niet goed met hen lijkt te menen.
Miles Heller is Prometheus. Miles Heller is Leviathan. Miles Heller is zowel Odysseus als Telemachus. Met een verleden als het zijne is slechts één ding nog echt van belang: de toekomst. En die toekomst is Pilar. Maar zal de wereld hen met rust laten?

zondag 26 juni 2011

Eten! Reizen! Lezen! Vrijen!

De perfecte reisgids voor wie een reisje naar eender waar in Frankrijk of een dagtripje naar Parijs plant.


bleu.blanc.rouge: "Dit is een kanjer die gewoon mee moét voor wie zi...: "Klik op knipsel voor betere leesbaarheid."

Guy de Maupassant in Parijs

Gisteren ben ik met de trein naar Amsterdam geweest. Het weer was uiterst slecht, maar ik heb toch een stevige wandeling in de Beemsterpolder kunnen maken en enkele uurtjes doelloos in Amsterdam kunnen rondkuieren.

Dat deed me trouwens denken aan mijn vorig dagtripje per trein. Dat was naar Parijs, waar ik de Maupassant-wandeling van Bart Van Loo maakte. En dat was echte de moeite!

Hiervoor schreef ik een verslagje, dat u hieronder kan lezen.



Guy de Maupassant in Parijs

Dat ik al vijf jaar nadat Bart Van Loo zijn hoogst interessante en zeer invloedrijke – in mijn geval toch – Parijs Retour heeft geschreven, nog steeds niet met zijn gids in de hand erop uit ben getrokken, hoewel ik het boek al enkele keren heb gelezen, dat is nog te vergeven. Maar dat ik drie jaar geleden twee nachten in Tours heb doorgebracht, als uitstekende uitvalbasis voor de Loirestreek, maar zijn gids niet bij had en daarom de Balzac-wandeling niet heb kunnen doen, dat is bijna onvergeeflijk en vooral heel spijtig. Ach ja, een andere keer. In elk geval wordt het tijd om nog eens naar Parijs te trekken, bijna drie jaar na mijn vorige doortocht daar, tegen het einde van mijn Loirereis met mijn vader.
In Parijs zou ik de Maupassant-wandeling doen die Bart Van Loo op heel meeslepende wijze in zijn boek verhaalt. Ik neem de Thalys en beland na anderhalf uur in het drukke, bedrijvige noorden van Parijs. Ik vraag een vriendelijke Parisien de weg naar la Basilique. Nu ik toch in de buurt ben, wil ik eerst nog eens naar dat prachtige bouwwerk in de Montmartre-wijk. Hij wijst me de weg.
Ik trek een boulevard door waar enkel en alleen winkels lijken te zijn waar je trouwkleren kan kopen. Lichtjes opdringerige winkeliers staan er buiten te vragen of ze je taille mogen nemen. Onderweg kom ik een man tegen met een voor het leven getekend gezicht. Zijn gelaat is op een afschuwelijke manier weggebrand. Hij doet me nog het meest denken aan het hoofdpersonage van Ondaatjes The English Patient: “burned beyond recognition”. Ik voel een mengeling van schaamtelijke gruwel en grenzeloos medelijden.
Ik kuier verder door de stinkende straten van deze allerminst prettige wijk. Vervolgens ‘beklim’ ik de heuvel. Enthousiast loop ik de trappen op, en ik krijg het gevoel dat ik hier elke dag wil komen joggen, een gevoel dat ik ook had in het New Yorkse Morningside Park, waar ik op mijn laatste reis naar New York wel eens in de vroege uurtjes ging wandelen. Al gauw besef ik dat ik de stank die ook op deze trappen mijn neusgaten doordringt, toch liever niet elke dag wil ruiken. Ook besef ik dat mijn conditie nihil is, want ik ben bekaf wanneer ik de top bereik en voor me de majestueuze basiliek opduikt. Links van me zie ik al één heel typerende landmark van de Lichtstad: het silhouet van de spuuglelijke Tour Montparnasse, die zelfs nog eindeloos lelijker is dan de op z’n minst toch nog elegante Eiffeltoren, die je op deze plek nog net niet kan zien. Ik zou de hoogste wolkenkrabber van Frankrijk nog al te vaak tegenkomen op m’n dagje Parijs.
Gelukkig heeft het uitzicht nog veel meer te bieden. Het panorama is vertrouwd, zelfs na drie jaar afwezigheid uit Parijs. Dit is dé skyline van mijn zo geliefde stad. De minuscule Notre-Dame, Panthéon en Hôtel des Invalides lijken wel pionnen in dit complexe, eeuwenoude, moe gevochten schaakbord.

Dan is er nog de Sacré-Coeur zelf natuurlijk. Eigenlijk moet ik constateren dat het indrukwekkende zicht me niet zoveel meer doet. Het is té vertrouwd geworden. Gek. Elke keer wanneer ik de Antwerpse kathedraal zie, genieten mijn ogen met volle teugen. Hopelijk ga ik dit been there, done that-gevoel niet te vaak hebben op mijn dagje Parijs, waar ik nu voor de vijfde keer kom.
Tussen blinde bedelaars, harpspelende straatmuzikanten, Japanners met hun camera en soldaten met hun machinegeweer in de aanslag, beklim ik de laatste treden naar de basiliek. Zou ik dan toch eens binnen een kijkje gaan nemen? Ben ik hier eigenlijk als kind ooit binnengeweest? In elk geval niet de twee laatste keren dat ik hier was. Ik heb geen zin. Het is te druk. Bovendien ben ik, zoals gezegd, niet echt onder de indruk. Misschien moet ik gewoon weg uit Montmartre, en zo snel mogelijk het échte Parijs zien te bereiken, mijn favoriete plekjes bezoeken. En dan is er natuurlijk nog de Maupassant-wandeling, waar ik nu erg veel zin in heb.
Ik wandel langs het standbeeld van Chevalier de la Barre en kijk naar een ander stukje Parijs. Ook de Eiffeltoren lijkt me plots heel banaal, hoewel ik toch wat onder de indruk blijf van hoe deze ooit hoogste toren ter wereld uit de rest van de Parijse soep uitrijst. Het lijkt wel een van zijn rode kleur ontdane, verroeste A van Antwerpen, die in de kruin een flinke scheut heeft gekregen. Wat is dat toch met mij vandaag? Misschien moet ik plekken opzoeken die voor mij langer geleden zijn?
Ik haast me voorbij de Place du Tertre, waar volgens een plaatje aan de muur het allemaal begon voor het automerk Renault. Ook dit gezellige pleintje lijkt wat van haar glorie te zijn verloren. Ik kuier door de Rue Norvins, die me doet denken aan de Rue des Bouchers in Brussel, en word goedgezind van het wijsje dat twee violisten vrolijk uit hun instrumenten toveren. Met goede vooruitzichten in het achterhoofd, probeer ik me door de toeristenmassa heen te molenwieken. Op de gevaarlijk hellende Place Goudeau, verfris ik me aan de kariatidenfontein, en filmt een cameraman van Paris Authentique hoe ik mijn dinosauruskoek verorber. In de Rue Pilon passeer ik het literair café Bel’ Air, waar ik het volgende opschrift lees: “Une orgie de lecture. Il faut avoir tout lu, et puis, de tous ces mots écrire un livre qui n’existe pas.” Wijze woorden. Snel de Boulevard de Clichy door, een ware ‘seksboulevard’, om vervolgens een bouche de métro in te duiken. Zo neem ik de metro van Blanche naar Madeleine.


En hier begint dan eindelijk mijn wandeling! Ik ben al snel onder de indruk van de magnifieke voorgevel van de kerk, maar binnenin is het gewoon nog eindeloos mooier. Wat een weelde! Toch wel één van de mooiste kerken die ik van binnen heb mogen bewonderen, en dat wil ondertussen heel wat zeggen! Ik wandel blij de kerk buiten en zet m’n zinnen op de Place de la Concorde, die in al haar glorie het einde van de Rue Royale markeert. In die straat heeft Guy de Maupassant trouwens vier jaar lang een doodsaaie administratieve job gehad op het ministerie van Zeevaart, het Ministère de la Marine. Ik vind het gebouw in kwestie, maar vind niet het plaatje dat vermeldt dat de beroemde schrijver hier heeft gewerkt. Maupassant verveelde zich er trouwens dood. Wat wil je ook? De man was een echte bon-vivant, die zich liever in het gezelschap van mooie vrouwen begaf, en met zijn kano zijn geliefde Seine temde.

Het uitzicht over de Place de la Concorde is natuurlijk ook heel vertrouwd, maar het blijft me verbazen. Wat een pracht. De goudgetipte obelisk, de standbeelden, de fonteinen, het begin van de Tuileries – die ik verder op de dag per ongeluk links laat liggen, jammer maar helaas – en in de verte de koepel van Les Invalides en de slanke Eiffeltoren. En God, wat is het mooi weer. En warm. Het wordt een stralende dag. Ik begeef me richting Champs-Elysées, waar de ‘mensenstroom’ gelukkig nogal meevalt. Een agent waarschuwt me dat ik niet in het met politiewagens bezaaide Avenue Gabriel moet lopen, maar “tout droit” via de Allée Marcel Proust het park in.
Op één van ’s werelds meest beroemde straten ervaar ik een gezellige korte wandeling. In de verte ontwaar ik de Arc de Triomphe en de Grande Arche, als dominosteentjes die te ver uit elkaar zijn geplaatst om nog effect te hebben. Ik wandel langs het Petit Palais en het Grand Palais, bijzondere maar iets te flamboyante en daarom vrij lelijke paleizen die me nooit echt hebben kunnen boeien. Bovendien is het zicht op de Pont Alexandre III en Les Invalides veel meer de moeite waard. Al dat goud schittert in de meizon. En dan is er de Seine natuurlijk! Eindelijk! Zelfs de miskleun van een Montparnasse, die ook hier weer opduikt, kan het visuele plezier niet bederven. Hier heb je werkelijk een magnifiek uitzicht.

Langs de Pont des Champs Elysées, aan de typische bateaux-mouches, proberen twee Japanners de typische Eiffeltoren-foto te nemen. Het is heerlijk wandelen langs de Seine. Net zoals Bart Van Loo steek ik bij metrostation Alma-Marceau de Avenue Montaigne over. Van de Sacré-Coeur is echter weinig te zien door de mooie, groene platanen (of zijn het esdoorns?) die de laan bevolken. De Avenue Montaigne ligt er trouwens rustiger bij dan toen Bart Van Loo hier is geweest, die door een toeterende automobilist werd verjaagd. De basiliek lijkt schattig klein, als van Playmobil, en vooral ontzettend ver weg. Dat ik daar slechts twee uur geleden nog heb gestaan!
In de Rue du Boccador ligt de laatste Parijse woonplaats van onze sympathieke Normandiër. Na een leven vol feesten en vrouwen krijgt hij op nog veel te jonge leeftijd syfilis. Ziek brengt hij hier zijn laatste dagen door. Ik wandel de avenue uit die recht naar de Champs-Elysées leidt. Het is ontzettend warm en ik heb vreselijk veel dorst. Ik geniet van de laatste meters tot de Arc de Triomphe, die daar nog steeds indrukwekkend staat te wezen. Ik verbaas me vooral over de details die de triomfboog versieren. Zelfs de allerkleinste beeldjes moeten nog even groot of groter zijn dan een mens. Napoleon heeft dan toch nog iets goeds gedaan. Ik neem een detailfoto van het reliëf van de dood van Generaal Marceau. Via de ietwat saaie Avenue Hoche kan je tot aan het immens gezellige Parc Monceau, dat iets voorbij de Japanse ambassade ligt, lopen. Je wandelt er binnen via een vergulden poort die me erg aan die van de parkjes en pleintjes in Nancy doet denken, mijn vorige passage in Frankrijk.

Wat een schoonheid tref ik aan in dit door Maupassant zo geliefde park, dat vooral in Fort comme la Mort treffend wordt beschreven. Eindelijk een plek waar ik voor het eerst kom op deze wandeling door Parijs. Niet opnieuw een bevestiging van wereldberoemde monumenten die ik voor de zoveelste keer aanschouw. Het is geen Parc du Luxembourg… maar toch! Ik vind het een ideaal plekje om tot rust te komen. En dat wordt dan ook gretig gedaan op deze zondagnamiddag. Overal zie ik joggers, picknickers, spelende kinderen en zonnende dames tussen de weelde aan frisse bomen en planten, de bruggetjes, de watervalletjes, de paviljoentjes, de arcades. De talloze witte standbeelden maken het helemaal af. Ook Maupassant genoot van de combinatie van al dat groen en al dat wit. En nu staat hij zelf tussen die heren van weleer, waaronder ook nog onder andere Chopin. Kinderen beklimmen het standbeeld van de schrijver, en één jongetje trapt zijn blauwe voetbal zelfs wat oneerbiedig tegen de vrouw die onderaan Maupassants borststuk droevig ligt te wezen. Misschien lezen ze later ook met plezier in de ontzettend ontroerende meesterwerkjes die deze schrijver in zijn korte leven heeft neergepend. Of ergeren ze zich dood aan de door hun leerkrachten opgelegde literatuur. Dat kan ook.

Ik geniet nog wat van het mooie weer in dit vertederende park, en vertrek dan richting Place du Général Catroux, waar ik, net als Bart Van Loo, het standbeeld van Alexandre Dumas begroet, die ik later op de dag nog in niet levende, maar dan toch dode en gekiste lijve zou ontmoeten. Een sympathieke dame wijst me de weg naar de Rue J. Bingen, waar de schrijver van Boule de Suif nog heeft gewoond, niet ver van het appartement van zijn goede vriend Croisset. De vrouw heeft net al een andere toerist te woord gestaan en zei al lachend dat ze hier toch al het bureau de renseignements is. Wanneer ze met haar hondje verder wandelt, vraagt ze aan een lichtjes verbaasde voorbijganger of hij toevallig ook geen informatie nodig had. Ik wandel verder. Het gebouw waar Guy de Maupassant zich volgens Bart Van Loo in had teruggetrokken, huisvest nu de ambassade van Zimbabwe. Als ik niet fout zit, tenminste. In elk geval vind ik geen herdenkingsplaatje, terwijl het voormalige appartementsgebouw van Croisset dat wél heeft.
De wandeling loopt op zijn einde, maar eerst moet ik nog heel wat boulevards en avenues afwandelen om bij het eindpunt én beginpunt van deze wandeling te geraken. Hoe saai. Ik snak weer naar de Seine en bedenk me dat ik waarschijnlijk niet meer in Chatou, één van de lievelingsplekjes van Maupassant, zal geraken. De namiddag begint stilaan op zijn einde te lopen en ik moet nog naar het kerkhof waar het allemaal voor de schrijver is geëindigd. Ook heb ik ontzettend veel zin om eindelijk het Panthéon eens te bezoeken en mijn Franse helden in hun tombe te gaan groeten. De boulevards vervelen me op den duur. Vooral de eentonige Hausmanniaanse blokken steken me tegen. Maupassant was dan weer een echte boulevardier, die hier ontzettend graag kwam flaneren. Waarschijnlijk zagen de boulevards er in de negentiende eeuw ook iets appetijtelijker uit.
Net als Bart Van Loo begin ik moe te worden en beginnen mijn voeten een beetje zeer te doen. Ik twijfel even om de metro te nemen, wanneer ik plots luid en laag gezang hoor, aangemoedigd door een fluitje. Het komt van het Place Saint-Augustin. Overal in de boulevard staan combi’s, tientallen combi’s. Op het plein zelf staan een stuk of honderd mensen met blauwe vlaggetjes te zwaaien en luidkeels te zingen. Ik ga er wat tussen staan en vraag iemand wat ze precies zingen en wat er gebeurt. Geen antwoord. Een tweede persoon vertelt me trots dat dit de herdenking van Jeanne d’Arc is. En warempel, het standbeeld van deze maagd uit Orléans staat in het midden van het plein, minstens zo potsierlijk als haar standbeeld in Orléans, of die in Reims. Naast het in ere houden van een eeuwenoude traditie, lijkt het me ergens ook een nationalistische, veel te christelijke bedoening. Op één van de spandoeken lees ik zelfs “La France est chrétienne et doit le rester!”. Ik moet eens lachen. Maar hey, eindelijk wat leven in de boulevardbrouwerij. Langzaam maar zeker steek ik de stoet voorbij. Vooraan berijdt een 21e-eeuwse Jeanne d’Arc haar witte pony.

Net wanneer ik de stoet heb voorbijgestoken, bereik ik de Opéra, die Bart Van Loo prachtig, maar Maupassant van slechte smaak vindt. Het duurt even voor ik besef dat deze opera er heel anders uitziet dan ik me herinner van drie jaar terug. Dan valt mijn euro. Ik sta hier weer aan de Madeleine-kerk! Het beginpunt van de wandeling. Ik moet de Opéra zijn mislopen. Het is even wandelen maar uiteindelijk bereik ik dan toch dit weergaloze gebouw, dat me de kers op de taart van Parijs lijkt, ware het niet dat de Opéra op zich eigenlijk al een soort taart is. Ik blijf een tiental minuten kijken, uit pure adoratie voor toch wel één van de mooiste monumenten van Parijs.

Eigenlijk is mijn wandeling hier ten einde, maar er zijn nog verschillende Maupassant-gerelateerde plekken die ik vandaag wil bezoeken. Chatou zal voor een andere keer zijn, maar mijn volgende halte is de Notre-Dame, die ik gewoon op elk bezoekje aan Parijs moet gezien hebben. Ik wandel rustig zuidwaarts en stap zonder er erg in te hebben het gigantische plein van het Louvre binnen. Daar smullen mijn ogen nogmaals van de indrukwekkende architectuur, de in de zon schitterende glazen piramides, het ruisende water en de gezellige drukte. In de doorgang naar de Cour Napoléon hoor ik viool spelen. Ik kijk op en zie daar diezelfde violisten als vanmorgen even enthousiast hun ding doen. Ik steek de Pont des Arts over, vanwaar ik alweer een prachtig zicht over de Seine en talloze bekende monumenten heb. Op de Quai de Conti vragen twee toeristen me waar het Louvre is. Ik wijs naar het imposante en eindeloze lange gebouw aan de overkant van de rivier en eerst geloven ze het om de een of andere reden niet. Eigenlijk is de omvang van dit paleis echt wel indrukwekkend.
Na enkele minuten kuieren in de Quai de Conti, ontwaar ik de sympathieke Henri IV in de verte, die nog steeds even fier op de Pont Neuf de wacht houdt, met wakend oog op het Ile de la Cité. In een van de talrijke boekenwinkeltjes langs de Seine, koop ik de verhalenbundel van Boule de Suif, een Albin Michel editie uit 1957 met een heel mooie cover. In m’n nopjes wandel ik naar het gezellige eilandje, en passeer ik het kleine bordje dat het destijds in de doofpot gestopte bloedbad van oktober 1961 toch nog min of meer eer aandoet. Toen werden onschuldige Algerijnse betogers zonder pardon door de Parijse politie neergeschoten en in de Seine gedropt. Alweer een zwarte bladzijde uit de bloederige Franse geschiedenis, maar één die door veel Fransen maar al te graag wordt omgeslagen. Ik nader de Notre-Dame, ga naast Karel de Grote staan en bewonder de in gestalte bescheiden kathedraal. Vooral vanop de Petit Pont heb je hier een heel mooi zicht op.

Dan in rechte lijn, voor zover dat mogelijk is, naar het Panthéon, met haar ontzagwekkende grote hal, inclusief de slinger van Foucault, en de crypte met de tombes van Voltaire, Rousseau, Zola, Hugo, Dumas en heel wat graven en revolutionairen, waaronder de urne met het hart van Gambetta. Met bijna religieuze verbijstering sta ik tot twee maal toe aan de grond genageld. Eerst bij Voltaire, daarna bij Rousseau. In beide gevallen loopt mijn hart over van respect en bewondering voor deze twee grote denkers uit de 18e eeuw. Ik wil er niet weg. Ik loop door naar de overige kamers van de crypte en ben een beetje van m’n melk wanneer ik merk dat de drie monumentale schrijvers Emile Zola, Victor Hugo en Alexandre Dumas in lelijke, kale, onversierde tombes in een kamertje bijeen zijn gepropt. Ik groet hen, blijf even staan, groet hen weer en verdwijn. De geestelijke vaders van Jean Valjean, Quasimodo, de drie musketiers, Edmond Dantès en Etienne Lantier liggen hier heel dicht naast elkaar te slapen.

Tijd voor wat rust in de magnifieke Jardin du Luxembourg. Daar ik van plan ben om het graf van Maupassant te gaan bezoeken, ga ik even op een stoeltje tussen de palmbomen zitten en lees ik voor de zoveelste keer hoe Bart Van Loo het tragische en pijnlijke einde van de schrijver van Le Horla beschrijft. De laatste jaren van zijn leven maalt de syfilis zijn hersenen volledig om. Maupassant wordt paranoïde, depressief, angstig, en uiteindelijk knettergek. Verschillende keren probeert hij zelfmoord te plegen om uit deze eindeloze nachtmerrie te ontwaken, en nooit meer wakker te worden. Het lukt hem niet. Zijn lijdensweg blijft maar duren, tot op 6 juli 1893, wanneer deze Normandische levensgenieter finaal naar de eeuwige jachtvelden vertrekt. Hopelijk heeft hij er rust gevonden en kan hij er dagelijks kano gaan varen, op de Lethe dan, want die laatste jaren van zijn veel te korte leven, kan hij maar beter vergeten.
Na de gezellige bedrijvigheid in de Jardin du Luxembourg – een park waarvan ik me beloof dat ik hier elke keer zal terugkomen wanneer ik Parijs bezoek – haast ik me naar het Cimetière de Montparnasse, waar ik, alvorens mijn wandeling in schoonheid af te sluiten op de Trocadera, met een knap uitzicht op de Eiffeltoren en de Champs de Mars, toch nog even wil binnenspringen. Een oudere vrouw waarschuwt me twee straten achter het park al dat het kerkhof binnen twee minuten sluit. Natuurlijk ga ik te laat komen. Ik rep me voorbij die lelijke toren, maar ben inderdaad te laat, het kerkhof is gesloten. Lichtjes verslagen ga ik op een bankje zitten en lees ik nog wat in Parijs Retour, terwijl een grijnzende Tour de Montparnasse vol leedvermaak op me neerkijkt.

FIN



--> Bij m'n tweede wandeling, op de Belgische nationale feestdag, was m'n eerste taak natuurlijk Maupassant te gaan begroeten. Het verslag hiervan vindt u onder 'Honoré de Balzac in Parijs'.


Bron: Van Loo, Bart, 2006, Parijs Retour, Antwerpen: Meulenhoff | Manteau.

donderdag 23 juni 2011

Saint-Tropez-aan-de-Schelde, ofwel: Holding on to Black Metal

Misschien hebben de inwoners van Het Eilandje, ofwel Saint-Tropez-aan-de-Schelde dan toch gelijk en hoort er eigenlijk helemaal geen metalcafé. Wie zal het zeggen? Misschien toch eens tijd om er een kijkje te gaan nemen en zelf te oordelen of hun 'non' gegrond is of niet.



Zeven Dagen Montana (laatste deel)

Citaat: "Als ik nou écht eens met een goed verhaal afkwam? Iets dat de mensen aanspreekt."




Verhoor Mevrouw Verstraeten
-Oké, we beginnen bij het begin. Vertel rustig wat er is gebeurd.
-Wel, ik was langs het café aan het rijden toen ik besefte dat ik nog iets wilde gaan drinken. Oh nee, ik moet eigenlijk veel eerder beginnen, om dat van Albert te verklaren.
-Wie is Albert?
-De man die in het ziekenhuis ligt. Eigenlijk heeft hij nu wel genoeg moeten boeten voor wat hij heeft gedaan. Dit verdiende hij niet.
-Wat is er dan gebeurd? En heeft het ook iets met die agent te maken?
-Albert is een collega van mij. Op het werk heeft hij me lastiggevallen. Ik was op weg naar zijn huis om in het groot op zijn garagepoort ‘Seksmaniak’ te schilderen, maar ik zag hem op de hoek van zijn straat praten met Pieter.
-Wie is Pieter?
-Een leraar, maar dat maakt niets uit.
-Oké, ga verder.
-Ik maakte dus rechtsomkeert en reed voorbij het café. Daar zag ik Jeroen met Sarah praten.
-Wie is Sarah?
-Sarah is die trut waarmee ik heb gevochten. We hebben elkaar zo toegetakeld, maar zij is begonnen. Het is ook zij die dat flesje naar uw collega gegooid heeft.
-Wat?! Oké, ik schrijf je verklaring op. Maar ik moet de rest ook nog verhoren natuurlijk.
-Doet u maar. Het is de waarheid, dat kunnen anderen bevestigen. Toen ik het café binnenkwam, was er dus al een flinke ruzie tussen Jeroen, Fons en Sarah. Sarah bedroog haar man, Bob, met zowel Jeroen als Fons.
-Jeroen en Fons zijn, naast uw man, de twee andere mannen die we gearresteerd hebben, neem ik aan?
-Ja, ze zijn er beiden ook vrij erg aan toe. Toen ik bezorgd was om Jeroen, die net een klap van Fons had gekregen, viel die trut van een Sarah mij aan.
-Wie begon eigenlijk met slaan?
-Ik geloof dat het Fons was. Maar Sarah is de oorzaak van alles, ik haat haar zo!
-Rustig maar, ze zal haar straf niet ontlopen. Maar jullie ook niet. Ik ga nog verder uitzoeken wie wat heeft gedaan. Diegene die Albert op zijn hoofd heeft geslagen en diegene die dat flesje naar de agent heeft gegooid, volgens u was dat Sarah, zullen een minimum straf van zes maanden krijgen, gemakkelijk! Waarschijnlijk zelfs één jaar. Wie heeft volgens u Albert bewusteloos geslagen?
Met schrik denkt Iris aan Jeroen. Zou ze hem verklikken? Dan moet hij de gevangenis in. En dat allemaal omdat hij haar wou verdedigen tegen Albert. Nee, ze mag zichzelf niets voorliegen. Albert vormde geen bedreiging voor haar. Hij kwam gewoon nog iets drinken na een ruzie met zijn vrouw. Jeroen wou haar alleen maar wreken. Jeroen ziet haar graag. Ook zij verlangt naar hem. Of is dat enkel fysiek? Ze is er nog altijd niet echt uit. Eigenlijk heeft ze geen reden om bij Thomas weg te gaan. Bij hem heeft ze zekerheid en ze ziet hem echt graag. Waarom dan die twijfels? Ze mag haar gevoelens nu geen baas laten spelen over haar rechtvaardigheidsgevoel. Maar Jeroen aangeven kan ze ook niet. Aan de andere kant zullen anderen dan weer bevestigen dat Jeroen Albert heeft neergeslagen. Wat moet ze zeggen?
-Wel, ik wacht. Als u zo moet nadenken, wil dat waarschijnlijk zeggen dat u iets bent aan het verzinnen. Heeft Thomas het gedaan? Natuurlijk wilt u hem niet aangeven. Hij zou in de gevangenis belanden en dat zou dan ook het einde van zijn carrière betekenen. Wel? Heeft hij dat gedaan?
-Nee. Hij was er toen nog niet. Dat kan de agent in kwestie bevestigen. Albert lag al op de grond toen hij aankwam, en Thomas is pas veel later binnengekomen met Fons.
-Was Fons nog niet binnen? Hij was toch begonnen? Pfff, ik snap er helemaal niets meer van.
-Hij is tweemaal in het café geweest. Na de twee spijtige voorvallen deden we allemaal ons best om de ruzie te doen stoppen. Fons en Sarah verlieten het café. Sarah ging naar huis en Fons wou hetzelfde doen, tot hij de combi zag staan met Thomas erin. Hij heeft hem waarschijnlijk alles verteld en even later kwamen ze beiden het café binnen. Toen begonnen Thomas en Jeroen hevig te vechten om mij.
-Om u?
-Ja, ik had weer gevoelens voor Jeroen en we waren aan het kussen.
-Nog meer overspel?! Ongelofelijk! U bent niet beter dan die Sarah! Maar we dwalen af. Wie heeft Albert geslagen?
-Ik heb het gedaan.
Het geluid van een blauwe balpen die op een houten bureau valt.

Verhoor Mevrouw Nys
-Mevrouw Nys, vertelt u rustig uw verhaal.
-Ik zat met Jeroen, mijn vriendje, in het café. Plots kwam Fons het café binnen.
-Hoe laat was het toen?
-Goh, ik geloof rond half tien. Ik weet dat niet zeker.
-En meneer De Bakker is uw andere minnaar?
-Dat gelooft hij zelf, ja. Hij is mijn baas en ik ben zijn ongewenste intimiteiten meer dan beu.
-Ah, ze zijn dus ongewenst?
-Ja, wat dacht u? Luister, meneer de agent. Ik heb hier niets mee te maken. Dat mens van een Iris heeft mij aangevallen en Fons begon op Jeroens oog te slaan omdat hij jaloers was. Maar Jeroen was mijn vriendje.
-Was?
-Ja, was. Iris, die slet, heeft hem weten in te palmen. Nu zal ik maar bij mijn man blijven, zeker?
-En dat is Bob Verbeeck?
-Ja.
-Weet hij hiervan?
-Van de arrestatie of van de affaire?
-De affaire natuurlijk. U was bij hem in bed toen u gearresteerd werd.
-Natuurlijk weet hij niets over mijn geheime relatie. Ik bedrieg hem al jaren. U onderschat mij, agent, ik ben hier heel goed in hoor. Maar vanaf nu ga ik braaf bij hem blijven. Als Jeroen me niet meer wil, dan… Maar eigenlijk zijn dit uw zaken toch niet?
-Jawel, het is van belang voor het onderzoek. Volgens mevrouw Verstraeten hebt u dat flesje naar de agent gegooid?
-Ja, maar het was niet de bedoeling om het naar hem te gooien. Ik wou er Iris mee raken.
-U weet toch dat deze verklaring u minstens een half jaar cel kan kosten?
-Meneer de agent, u moest eens weten wat Iris allemaal heeft uitgestoken. Ze heeft Thomas bedrogen met Jeroen, ze heeft me aangevallen met een gebroken fles en wou mijn gezicht ermee bewerken. Gelukkig is dat niet gelukt.
-Heeft zij Albert neergeslagen?
Sarah aarzelt even. Ze wil Jeroen uiteraard niet aangeven. Natuurlijk wil ze niet bij Bob blijven. Ze is nog steeds stapelverliefd op Jeroen. Ook al had hij haar rake klappen uitgedeeld, ze kan hem gewoon niet aangeven.
-Ja.
-Wanneer is dit gebeurd?
-Ik denk rond tien uur, maar daar ben ik niet zeker van. Ze nam een barkruk en troefde hem ermee af tot hij niet meer bewoog. Allemaal omdat hij haar kont had aangeraakt op het werk. Mocht ik Fons aftuigen telkens als hij aan mijn borsten zit, dan kunnen we hem begraven. Zoiets doe je niet. Die Albert leek me een doodgewone kerel.
-Denkt u dat mevrouw Verstraeten dit met voorbedachten rade heeft gedaan?
-Dat weet ik niet. Maar het feit dat ze maar bleef slaan, zegt genoeg. Maar zij heeft dit alles natuurlijk ontkend?
-Eigenlijk heeft ze het zelf toegegeven.
-Echt?!
-Eerst wil ik daar bevestiging van hebben. De barman lijkt me wel een eerlijke kerel. Maar als dit waar is, zullen jullie er met een boete niet van af zijn. Het zal dan eerder zoiets van een halfjaar of een jaar zijn, dat hangt er sterk van af wat de feiten zijn. Natuurlijk moeten we nog de gezondheidstoestand van Albert checken. Maar ik geloof dat hij er erg aan toe is. De dokter kon me nog niet veel vertellen, maar blijkbaar heeft zijn schedel een zeer zware klap moeten verwerken.
-En de agent?
-Dat gaat jou natuurlijk meer aan. Mijn collega komt er met een lichte hersenschudding van af. Dat wordt dus al zeker een serieuze schadevergoeding.
-Ik vind het heel erg van uw collega. Hoe heet hij eigenlijk?
-Agent Coppens.
-Het spijt me erg voor hem. Maar ik wou Iris het zwijgen opleggen. Ze was een gevaar voor iedereen, snapt u? Ze wou me verminken, ik moest mezelf verdedigen.
-Maar toen u dat flesje naar mevrouw Verstraeten wou gooien, toen kon ze toch niet vlak bij u staan?
-Nee, dat is waar. Maar ze maakte zich klaar voor een nieuwe aanvalspoging.
-Goed, ik heb genoeg gehoord. Tot later misschien. Ik denk dat ik u nog wel zal zien?
-Daar twijfel ik niet aan, meneer…?
-Aertsens.
-Aertsens.
Ze kijkt de onderzoeksrechter sensueel aan terwijl ze door een net binnengekomen agent wordt meegenomen.

De onderzoeksrechter wordt het nu allemaal te veel. Hoe een eenvoudig gevecht toch zo ingewikkeld kan worden. Hij begrijpt het niet. Wanneer hij er zeker van is dat alle agenten naar huis zijn, neemt hij een koord en hangt hij zich op. Wanneer dit 's anderendaags wordt ontdekt, is de verslagenheid groot bij het politiekorps. Zijn beste vriend en waarde collega, agent Matthijs, zegt er zelfs het politiebal voor af. Ook andere feestelijkheden – er waren er die avond maar liefst 43 georganiseerd, werden verplaatst naar twee weken eerder. Misschien wat overdreven, maar is het aan mij om daarover te overdelen? Ook aan u, beste lezer, is het niet om daar enig oordeel over te vellen. Feit is: eet uw popcorn nu maar op en laat het denkwerk aan de verteller over. Ook de rechter, een persoonlijke vriend van de onderzoeksrechter, is zwaar aangedaan door het afschuwelijke nieuws. Uit pure woede en verdriet neemt deze contact op met een collega in Rusland. Deze beweert nog wat arbeidskrachten te kunnen gebruiken in een geheim strafkamp dat buiten de wet staat en dat door de Russische overheid, in ruil voor heel wat geld, stilgezwegen wordt. In dit strafkamp diep onder de grond worden zowat alle mensenrechten geschonden. Als er een maand voorbij gaat dat er één of meerdere rechten niet geschonden werden, moet de ganse bewaking een toertje rond de beerput lopen en diegene die het laatst aankomt, die mag daar nog eens een duikje in nemen. Geen pretje dus. Er wordt dus ijverig geschonden. Het hele zootje dorpelingen wordt hier dan maar zonder proces naartoe gestuurd en niemand in het dorp verneemt ooit nog iets van hen.”

Mooi verhaal, niet? Het onmogelijke wordt hier werkelijkheid. Hier vallen vissen te rapen, jongens! Maar Albert, die arme Albert, leeft niet meer. Hoe weet de verteller nu wat er met de anderen is gebeurd? Wat kan de lezer ons mogelijk zeggen over de afloop van het verhaal? Gelukkig dat verhalen nooit écht aflopen. Maar laten we niet langer dralen. Laten we ook niet langer… dralen.

Ach en ik wandel in de woeste weiden. Ik zie de bergen. Ik zie de hemel. De grijze hemel. De besneeuwde bergtoppen. En ik voel dat ik achtervolgd word. En ik draai me snel om. En in de verte zie ik het monster. Het sluipt dichterbij. Klaar om me te wurgen. Een ontzettende angst maakt zich van me meester en ik schreeuw het uit.

ONNOZELE KLOOTZAK!

Dat had ik beter niet gedaan. Niet omdat het de demon nog kwader maakte – dat heb ik nooit geweten – maar omdat ik slechts enkele tellen later een oorverdovend lawaai hoorde. Een lawine donderde over me heen en vaagde alles weg. Alles. Het monster. De weiden. De Alpen. De lawine. De hemel. De wereld. Het universum. Alles. Alles… behalve mezelf.

Daar was ik dan. Eenzaam en alleen in het niets. Alles had me verlaten. Me in de steek gelaten. Ik was nu helemaal alleen. Heeft u ook opgemerkt dat ik plots van tijd ben veranderd? Eerst gebruikte ik de tegenwoordige tijd en nu de verleden tijd. Dat heb je nou met automatisch schrijven. Nu, ik moet bekennen dat ik nogal moe ben. Heb heel de dag gestudeerd. Het is namelijk examenperiode en mijn hoofd zit vol met Joseph Conrad, Nietzsche en Chateaubriand. Een Engelsman, een Duitser en een Fransman. Hoewel. Hoewel. Joseph Conrad kwam eigenlijk van Polen. Peu importe. Wat ik dus wou zeggen, is dat mijn hoofd er niet echt naar staat om van de tegenwoordige tijd een verleden tijd te maken. Of andersom. Zolang het maar coherent blijft. Maar dit hele boek, als je het zo al kunt noemen, is volledig incoherent. Wat wil je dat ik doe? Heeft u ook gemerkt dat ik nu plots de jij-vorm gebruik? Ik tutoyeer je/u nu dus. Wil je – of wilt u – dat ik u weer vouvoyeer? U kiest maar. Ja, je kiest maar. Ik zal het toch nooit horen. Want de lezer – of het nu om de echte lezer of om de geadresseerde gaat – zal zich toch nooit tot de auteur – of de verteller – kunnen richten. Eenrichtingsverkeer. En wat…

En wat als…?

Wat als we ook deze drempel eens overschreden? Wat als we ook hier wat mee gaan experimenteren[1]? Maar dan moet alle heil wel van u komen. Van jou. De lezer. Ja. Inderdaad. Maar dan echt wel. Hoe ga je dit aanpakken, waarde lezer?

Kruis!

Ik weet misschien een manier. Ik schrijf u gewoon voor hoe u zich tot mij moet adresseren. Je moet dan gewoon lezen wat ik hier zet.

Zullen we het proberen?

Oké.

Reactie van de lezer:

Oh, wacht even. Natuurlijk moet u “Reactie van de lezer:” niet mee uitspreken. Maar dat had u waarschijnlijk wel al begrepen. Oké. Hier gaan we dan. Zet je maar schrap.

Reactie van de lezer: Ik richt me tot de verteller[2].

Oei. Probleem. Tot de verteller of de auteur? Ach, kiest u maar. Ik kan als auteur (of verteller) de ene leugen na de andere vertellen. Wat maakt het uit. Maar leest u dat maar eens voor. “Ik richt me tot de verteller.” Nogal stom eigenlijk. Laten we een ander voorbeeld nemen.

Reactie van de lezer: Hallo!!

Let wel: met twéé uitroeptekens. Oké. Probeert u dat maar eens.

Goed zo. Hoewel.

Ik kan eigenlijk onmogelijk weten of u dit nou écht gezegd hebt of niet. Stel dat u dit op de trein zit te lezen. De medereizigers zouden je nogal aankijken. Of die bezwete vijftiger tegenover je zal je eens met een betekenisvolle glimlach aankijken en misschien zelfs knipogen. Maar goed. Ik kan dit dus niet controleren. Daarom blijft het eenrichtingsverkeer en is dit experiment dus mooi mislukt. Maar het was het proberen waard. Tenzij.

Tenzij u me zélf voorstelt hoe we dit probleem kunnen oplossen. Maar dáár ligt nou net het probleem natuurlijk.

Er is niets. Helemaal niets. Inderdaad, beste lezer. Ik ga gewoon verder met dit verhaal. Of dacht u dat ik, nu de lawine alles heeft weg gevaagd en ik geen kant meer op kan, deze bespiegeling zou aanwenden om het vorige verhaal op slinkse manier stop te zetten en er een ander te beginnen? Hoe durft u!

U heeft gelijk.

Er was eens een beer. En die beer, tja, hoe zullen we het formuleren? Excuses. Hoe zal IK het formuleren? Die beer daar was iets mee die beer hoe zal ik het zeggen die voelde zich niet honderd procent waarom niet wel omdat die beer opgesloten zat in een dierentuin natuurlijk zou je kunnen zeggen dat dieren in dierentuinen langer leven en dus gelukkiger zijn maar dit is zeker niet altijd waar trouwens langer leven betekent niet noodzakelijk gelukkiger zijn die beer zocht een manier om te ontsnappen en eens hij die manier gevonden had ontsnapte hij ook de hele stad in rep en roer uiteindelijk werd de beer weer gevangen gevierendeeld opgehangen en onthoofd

Geert stapt de drempel van zijn voordeur op, steekt zijn huissleutel in het slot, draait de sleutel om, opent de deur en gaat naar binnen. Na enkele seconden zijn nochtans propere schoenen aan de mat af te vegen, wandelt hij de gang door en opent hij de keuken naar de woonkamer. Hij kijkt even rond, herinnert zich dat hij nog een uurtje tijd heeft en legt zich languit neer op de sofa. Hij moet zijn arm even strekken om de afstandsbediening te kunnen nemen en zet de televisie aan. Verdraaid, nu had ik toch wel eerst wat chips en een drankje uit de keuken kunnen halen. Het zal voor de volgende keer zijn. Zap. Nee. Zap. Nee. Zap. Ook niet. Zap. Er is niets op tv. En dat is toch wel straf, hè? Dat is nou toch echt wel straf. Je verwacht toch nog een béétje kwaliteit op tv? Gewoon dat beetje kwaliteit is dan toch weer te veel gevraagd. Met een diepe zucht zapt hij nog eens. Je moet de zaken namelijk altijd een tweede kans geven. Nee, dat is het ook niet echt. Een vijftiende kans dan? Zap. Aha! Voetbal! Na enkele minuten voetbal, beseft Geert dat hij eigenlijk helemaal niet van voetbal houdt. Hij is meer voor tennis. Dat is pas een interessante sport. Daar kan hij volledig in opgaan. Wat een sport. Maar nee, voetbal, dat is het niet. Maar wat is het dan wel? Wat wil hij dan wel zien op tv? Je zou het je gaan afvragen. En dat doe je waarschijnlijk dan ook. Hoe lang zal Geert nog de ongewilde en deels ook onbewuste gevangene van dit postmoderne leven zijn? Hoe lang nog voor hij zijn arm nog verder zal uitstrekken, veel verder dan eigenlijk mogelijk is en net als Prometheus het onbereikbare nastreven? Wanneer? Want op deze manier zal hij er niet geraken, Geert. Chips? Waarom ook niet. Met een zucht staat Geert recht. Hij wandelt naar de telefoon en belt een ambulance. Geert is duidelijk het noorden kwijt. Vijf uur later is Geert dood. En daarmee is dit verhaal dan ook afgelopen. Ware het niet dat ik na de witregel hier gewoon verder zal vertellen. Over het feit dat morgen me niets zal kunnen boeien.

Er zijn zo van die dagen dat niets me kan boeien. Bijvoorbeeld morgen. Toen kon me écht niets boeien. Dan geeuw ik wat. En dan drink ik wat thee. En dan zucht ik wat. En ja, dan durf ik ook wel eens te zagen over het feit dat niets me kan boeien. Het vooruitzicht. Het vooruitzicht. Niet leuk. Nee. Want morgen. Zal niets. Me kunnen.

Handboeien.

Laat ik maar meteen een bladzijde overslaan, want ik zit weer vast.












Of nee, wacht! Als ik nou écht eens met een goed verhaal afkwam? Iets dat de mensen aanspreekt. Ik kan niet meteen op iets komen maar er moét toch iets zijn? Ik weet dat blote borsten heel wat mannen aanspreken. Mijzelf ook. Hier spreekt de auteur dan weer. Want de verteller is eigenlijk een vrouw. Met ook heel appetijtelijke borsten trouwens. Maar omdat dit verhaal toch al zo’n zootje geworden is, mag u ook stomweg en doodgewoon beslissen dat de verteller een man of een transseksueel is. Het mag natuurlijk ook een neger zijn. Of een bakker. Of een Nero. Of een paling. Of een belastingsontduiker. Maar misschien is de verteller wel een baksteen.

Dán hebben we een probleem.

N

I

E

T



Z

O

Z

E

E

R



O

M

D

A

T



I

K



I

E

T

S



T

E

G

E

N



B

A

K

S

T

E

N

E

N



H

E

Bmaar

“Nou heb ik er mooi genoeg van!”
Bob trok de ligstoel naar zich toe en met een handige maar krachtige beweging wierp hij hem met een luide kreet de vijver in.
“Altijd maar hetzelfde liedje!”
Vader snelde de trap af en vroeg wat dit alles te betekenen had. Hij kreeg geen antwoord.








een hoed



Zeven maal zeven is achtentwintig. Althans zo dacht ik. Dat was mijn logica. Ik kan hier nu een heel boek over gaan schrijven maar veel zou dat niet uithalen. Ik denk ook niet echt dat er iemand bij gebaat zou zijn. Maar waarom doe ik het dan? Ik vraag het mij af, Marie.

Wat ziet mijn lodderig oog?? Dat zei de schorpioen tegen de ietwat kalende, afgeroomde pissebed. Een pissebed!! Zo zei hij. Nog nooit was er iets zo eloquents geuit in de grotten van Uliga. Meer nog:

Hoe vaak moet ik nog ronddolen in dit universum,,,,,,,,,,,,;,,,,,,, Ik vraag het mij af, Marie. Ik trek de Alpen over. Of toch iets dat op de Alpen lijkt. Het zijn in ieder geval hoge, besneeuwde bergtoppen. Een eenzame reiziger haalt me in. Hij zegt Antonius zegt hij Antonius zo zegt hij Ik heet niet Antonius zeg ik hij zegt Antonius zegt hij wat doet u hier in godsnaam. Dat ik het niet weet. Ik vraag het mij af, Marie. In ieder geval herken ik die reiziger best wel. Het is niemand minder dan Jean-Jacques Rousseau, één van de drie wijzen uit het Oosten. Lang hoef ik over zijn oneerbaar voorstel niet na te denken. Ik beklim zijn rund en zet het op een wenen. De wereld implodeert en zo komt het dat ik hier dus ben geraakt.

Een heel interessant verhaal zegt Marie maar wat wil je daar nou precies mee aantonen Dat ik het zelf niet weet, Marie zeg ik wat verdwaasd één ding is zeker ik heet niet Antonius Daarmee is de kous af lacht Marie en ze trekt die over haar been.

“Gegroet, oh machtige geilaard!”
“Gegroet, Salahuddin Chamchawalla!”
“Alles goed?”
“Dat gaat. Ik woon niet in Tokyo.”
“Ik heb kippensoep gebakken. Iemand spijt?”
“Ik lust wel pap.”
“Hou je mond, vuile beer.”
“Iemand pap?”
“Ik lust wel beer.”
“Ik woon niet in Reet.”
“Ik lust wel beer.”
“Ik woon aan een meer.”
“Ik spreek vrouwen aan met ‘meneer’.”
“Ik luister naar de naam Vermeer.”
“Ik hou van teer.”
“Ik weet wat ik begeer.”
“Ik hou niet van rijmen.”
“Dan kunnen we hier maar beter mee ophouden.”
“Als u daar echt op staat.”
“Nee, maar u houdt niet van rijmen. Het is daarom dat ik het doe.”
“Wat doet u?”
“Ach, hou er maar over op.”
“U bent hierover begonnen.”
“Verschoning, Chamcha, maar daar gaat u toch wel te ver.”
“U zegt?”
“We gaan niet weer die toer opgaan, hoop ik?”
“Dat waren wij niet.”
“Dat waren wij niet.”
“U gaat me hier toch niet een beetje herhalen, mag ik hopen?”
“Ik woon in de tropen.”
“Ah, gaan we dan weer rijmen?”
“Goed plan!”
“Het plan komt van u, mijn waarde.”
“Helemaal niet.”
“Hoezo?”
“Zo.”
“Hoezo?”
“Helemaal niet.”
“Dat zei u inderdaad, maar verklaar u nader.”
“U was het die heeft voorgesteld om weer aan het rijmen te slaan, ik niet.”
“Ik volg niet.”
“U bent dan ook een beetje traag.”
“Excuseer!”
“Ja?”
“Excuseer, meneer!”
“U zegt?”
“Wilt u daar beweren…”
“Ik wil zoveel.”
“Suggereert u daar misschien…”
“Ach, mijn waarde, wat mensen allemaal niet tussen de regels van mijn Woorden kunnen lezen, het is verschrikkelijk, maar ook heel interessant. Zo heeft iedereen toch zijn eigen interpretatie, zeker? Alles is relatief, maar tegelijkertijd is ook niets relatief. Dat is het mooie ervan, moet u weten. Wat ik suggereer, zit misschien in uw hoofd, of misschien suggereerde ik het toch. Of misschien suggereerde ik net iets geheel anders. Wie zal het zeggen? Er bestaat niet zoiets als intersubjectiviteit. Of bestaat zoiets wel? Ik weet het niet. Ach, mijn arme hoofd. Zouden tumors ook pijn kunnen voelen? Ik vraag het me af, Marie! In elk geval weet ik dat ik me hier niet zal kunnen uitpraten. Maar weet één ding: toen ik vanmorgen wakker werd, opende ik mijn ogen en zag ik een enorme leegte.”
“Is het niet ‘ongelofelijke leegte’?”
“Wat weet u daar nu van?”
“Michel?”
“Wat Michel?”
“Achlaatmaarlaatmaarlaatmaarlaatmaarvallen.”
“We zijn allemaal zo verschillend en hebben allemaal andere ideeën. We zijn allemaal anders opgevoed, dragen allemaal andere bagage mee, zijn van een andere cultuur, kijken anders tegen het leven aan, interpreteren bepaalde zaken, om niet te zeggen ‘alle zaken’ dus noodgedwongen anders. Wie zal zeggen wat ik dan eigenlijk écht suggereerde?”
“U?”
“Daar zat u op te hopen, maar ik moet u teleurstellen.”
“Sla zo’n toon niet tegen me aan.”
“Begin maar al te bloeden, slome!”
“Ik zou oppassen.”
“Ik ben een idioot. Per slot van rekening heb ik het niet zo voor kristal, maar, en daar doe ik een toegeving, konijnen kunnen toch niet praten?”
“U heeft daar een punt. Ik was van plan al uw ribben te breken, maar nu zie ik er toch van af.”
“Waarom?”
“Raadt u mij soms aan dat toch te doen?”
“U kan altijd proberen.”
“Nee, ik zie ervan af. Ik vind dat, wanneer iemand een belofte doet, die zich hier ook aan moet houden, niet? Wat is een man waard als die zich niet aan zijn beloftes houdt?”
“Mijn waarde, geen enkele man, en dat zou u zo stilaan toch moeten weten, houdt zich aan zijn beloftes. Een echte man belooft dit en belooft dat maar houdt zich er nooit aan. Dat is de kunst van het liegen. Het belang van liegen.”
“Er is een groot verschil tussen liegen en je beloftes niet houden. Wanneer je liegt, voel je je schuldig op het moment dat je liegt. Wanneer je een valse belofte maakt, weet je op dat moment meestal niet dat je die niet zal nakomen. Dat komt meestal door omstandigheden die zich pas veel later voordoen. Snapt u?”
“Dat is onzin. Gewoon onzin. Een echte man weet, op het moment dat hij een belofte doet, perfect dat hij die nooit zal nakomen. Want dat maakt hem net zo perfect als man: het feit dat hij die belofte niet zal nakomen.”
“U?”
“Daar zat u op te hopen, maar ik moet u teleurstellen.”
“Geef me gewoon wat tijd.”
“Komt in orde.”
“Adios!”
“Hoe gaat het ermee?”
“Moet ik daar nu nog op antwoorden? Die vraag had ergens in het begin van ons toch nogal vreemde en zelfs bijna schrikwekkende gesprek moeten komen, niet nu. Maar blijkbaar vonden we het belangrijker om…”
“Wilt u daar zeggen…?”
“Verdorie toch! Laat me alstublieft mijn zin afmaken, ongelikte beer!”
“Oké.”
“Nee maar, ik heb hier echt genoeg van gekregen. Dit gaat mijn verstand te boven. Weet u? Ik spring hier gewoon het ravijn in. Dan heeft niemand nog last van u.”
“Dan heeft u geen last meer van mij en ik geen last meer van u, bedoelt u?”
“Ach wat maakt het uit. We hadden het dus te druk met rijmen en vergaten de geijkte formules bij het converseren. Achverdraaidverdorieammehoelazo!”
“U heeft wellicht gelijk.”
“Wellicht.”
“Doei!”
“Ciao ciao!”

En dat was het dan. Hoezeer nog moest dit oordeel duren? Kon er niet gewoon een nijlpaard in een toga verschijnen? Nee, dat was te gemakkelijk geweest. In Sint-Truiden, waar de zon soms schijnt. Wie goed nadenkt, wéét dat er iets moest gebeuren. Liever dit dan zeven dagen Montana. Maar als u zijn woorden letterlijk neemt en ze letter per letter analyseert, dan zeg ik u: dan


[1] Zoals we dat in het grootste deel van dit boek al hebben gedaan. Met onnodige voetnoten bijvoorbeeld.
[2] Proficiat beste lezer! U heeft het al ver geschopt! Na al die pagina’s toch nog blijven verder lezen. Nee maar, ik moet u echt feliciteren. En profiteer bovendien ook nog van onze uitzonderlijke aanbiedingen, enkel en alleen bij ******!

HA!

Hebben we DAT even mooi kunnen censureren. Dit is een boek. Of toch een verhaal. Of zelfs dat niet. En reclame is hier niet gewenst. U ziet, beste lezer, dat we hier snel ingrijpen. Enkel en alleen voor uw comfort. Want geef toe: u was er bijna ingetuimeld? Niet? Allez, lees voort!