woensdag 27 juli 2011

V L U C H T


Hieronder een kortverhaal dat ik enkele jaren geleden heb geschreven...



V  L U C  H T

Onmacht. Angst. Verdriet. Woede. Radeloosheid. Deze gevoelens zijn je niet onbekend wanneer je in een uiterst wanhopige poging over dat hek springt. Je landing is alles behalve zacht te noemen en na enkele tellen krabbel je overeind en zet je het weer op een lopen. Je neus bloedt nog steeds. Die klap was aangekomen. Hierdoor wist je dat het menens was. Je kijkt vlug achter je. Natuurlijk zijn zij ook dat hek over geraakt. Je tocht door dit griezelige, verlaten industrieterrein is zeker nog niet ten einde.
De lelijkheid van de fabrieksgebouwen is niet te geloven. Ze staan daar troosteloos te wachten tot ze gesloopt worden als gigantische monsters die hun tijd al lang hebben gehad en enkel nog in het verleden leven. Ze schieten voorbij. Zou de duisternis in mijn voordeel kunnen spelen? Zou ik me ergens kunnen verstoppen?
Onmacht. Hoe is dit kunnen gebeuren? Heb je er zelf schuld aan? Neen. Hebben zij er schuld aan? Ja. Of kan je iemand zijn stupiditeit en bekrompenheid niet kwalijk nemen? Kan je een blinde kwalijk nemen dat hij niet kan zien? Het speelt door je hoofd. Maar laten je gedachten vooral niet afdwalen. Jij moet nu zorgen dat ze je niet inhalen. Ze zijn met z’n drieën. Daar kan je nooit tegenop. Drie man vol pure haat. Ze haten je niet om wie je bent maar om wat je bent. Daar kan je niets tegen beginnen. Of heb je die vuist misschien niet gevoeld?
Ik hoor ze schreeuwen, vloeken, schelden… Ben ik dat echt allemaal? Het doet pijn aan mijn oren. Niet omdat ze het heel luid roepen, maar om wat ze roepen. Zo’n haat heb ik nog nooit meegemaakt. Het gescheld en de snelle naderende voetstappen is alles wat ik kan horen. Het fabrieksterrein lijkt wel volledig geïsoleerd. Ik heb me nog nooit zo alleen gevoeld. Ik hoor zelfs mijn eigen voetstappen niet meer. Wat ik hoor, is waar ik voor vlucht.
Angst. Ze zijn tot alles in staat. Je durft erom te wedden dat minstens één van hen een mes bij zich heeft. Je hebt hen al eerder ontmoet. Op de bus. Enkele dagen geleden. Ze keken naar je. Met ogen vol haat. Dit had je nog nooit meegemaakt. Maar je was het voorval gauw vergeten. Tot je daarnet met je vriendin in het park ging wandelen. Ze achtervolgden jullie steeds dieper het park in tot het begon te schemeren. Eerst hadden jullie niets door, maar toen jullie rechtsomkeert wilden maken om het park op tijd te verlaten, kregen jullie hen in de gaten. Met lood in de schoenen vervolgden jullie de tocht. Toen de avond begon te vallen en jullie wisten dat de parkwachter het hek al had gesloten, kregen jullie de schrik pas echt te pakken. Ze hadden jullie snel ingehaald. Twee jongens grepen jouw vriendin. Gelukkig deden ze haar geen pijn. Maar je kon het gewoon niet aanzien dat ze haar aanraakten. De andere twee jongens kwamen op jou af en na heel wat verschrikkelijke beledigingen aan jouw adres, plantte één van hen zijn vuist in je gezicht. Een vlammende pijn ging van je neus naar je hersenen. Je schreeuwde het uit en zette het op een lopen.
De zoete smaak van bloed maakt me misselijk. Al meerdere malen heb ik mijn neus aan mijn hemdsmouw proberen af te vegen en heb ik op de grond gespuugd. Mijn neus blijft maar bloeden, wat ik ook probeer. Ik heb nu geen tijd om het te doen stelpen. Bloed is zoet, haat is bitter.
Verdriet. Toen je op de vlucht ging, slaakte je vriendin angstig een gil. Eén van je belagers haalde naar haar uit. Hij riep dat hij zich wel om haar zou bekommeren. Dat hoorde je nog. Het deed je zoveel pijn. Wat heeft hij ondertussen met haar gedaan? Je wil er niet aan denken. De gedachte daaraan is een steek in je hart. Had je wel mogen vluchten? Je kon niet anders. Of toch? Je hebt je vriendin, je lieve schat, gewoon in de steek gelaten. Maar tegen die hele bende had je niets kunnen beginnen. Dat is wel duidelijk.
Het is koud buiten maar ik zweet me te pletter. De angst doet me rillen maar de pijn verwarmt me. Mijn hoofd kookt over, kan elk moment ontploffen. Gedachten en gevoelens hebben er vrij spel. Mijn neus. Mijn knie. Pijn en angst zijn mijn automatische piloot. Angst voor pijn en pijn door angst.
Woede. Waarom? Waarom? Waarom? Je wordt misselijk van zoveel blinde haat. Waarom kunnen mensen het niet verdragen dat jij van haar houdt en zij van jou? Zijn jullie dan zo anders? Op één vlak zijn jullie anders. Echt maar één vlak. En net dat stuit hen tegen de borst. Je kan het niet begrijpen.
Er hangt een beklemmende stank in de lucht. Ik krijg het er nog benauwder van. Ik moet ervan kokhalzen, al weet ik niet of dat enkel en alleen door die stank komt. Wat ik zie, wat ik hoor, wat ik proef, wat ik voel, wat ik ruik… Het is allemaal hetzelfde.
Radeloosheid. Wat als ze je inhalen? En daar lijkt het nu wel naar. Tijdens die val heb je je knie flink bezeerd. Met de wanhoop nabij zoek je naar een uitgang, een poort, een gat in het hek, wat dan ook. Je moet hier weg. De lugubere omgeving demotiveert je. Je hoort je achtervolgers je vernederen. Ze komen steeds dichterbij. Ze mogen je niet inhalen. Dit moet ophouden. Stop. Stop.
STOOOOOOOOOOOP!
Je struikelt.
Stop deze waanzin.
Je valt.
Nu hebben ze me.
Je probeert weer recht te staan.
Ik moet het halen.
Je wordt onder de voet gelopen.
Het heeft geen zin.
Je schreeuwt de woede en pijn van je af.
Hoe kunnen ze.
Je krijgt een voet midden in je gezicht.
Hoe durven ze.
Je roept om hulp.
Haal me hier weg, help me.
Je voelt de schoppen.
Stop er toch mee.
Je voelt de pijn.
Stop ermee.
Je schreeuwt het uit.
Ik hou het niet meer uit.
Je hemd kleurt donkerrood.
Dit is te veel.
Je hapt naar adem.
Ik
Je
Ik
Je
Ik
Je
Kan niet meer.
Je

…u mij? Hallo, hallo. Kunt u mij horen? Wat is er gebeurd?
-Hij hoort je niet, hoor.
-Heb je de 100 gebeld?
-Ze komen meteen.
-Lieve hemel, wat een gedoe.
-Dit is inderdaad…



…hem daar gevonden.
-Wat kan er gebeurd zijn?
-Wat denk je zelf? Ze hebben hem flink aangepakt.
-Wie?
-Maakt niet uit wie. Je hoort dat toch vaak?
-Omdat hij…
-Natuurlijk. Wat dacht je?
-Ik… ik wist niet dat zoiets nog bestond, en dan hier…
-Wat dacht je? Dat zoiets enkel in Amerika gebeurt of zo?
-Arme jongen.
-Denk je dat hij het zal halen?
-Dat zal de dokter beter…



…sterven.
-Heeft hij veel kans om…
-Dat kan ik niet zeggen. Breng hem maar naar een kamer. Dit heeft niet veel zin meer.
-Oké, we zullen hem naar…



…hij mij?
-Dat kan ik niet zeggen. Hij ligt in een coma en soms kunnen mensen je dan horen en soms niet. Moeilijk te zeggen.
-Hoe is het toch zo ver kunnen gaan? Hoe…
-Rustig maar.
-We waren zo gelukkig samen. Het was zo… perfect. Té perfect.
-Is er nog iets dat ik…






…jongen.
-Hij komt er wel door. Hij is heel sterk. Dat is hij altijd al geweest.
-Wat als je geen gelijk hebt? Ik overleef het niet. Hij is nog zo jong, onze arme schat.
-We moeten nu heel sterk zijn… voor Eline.
-Och ja, ik moet haar straks van school gaan halen. Wat moet ik haar zeggen? Hoe moet ik dat uitleggen? Ik kan dat niet aan. Ik… ik…
-Ik zal haar wel afhalen en het haar zo voorzichtig mogelijk proberen uit te leggen.
-Bedankt, lieveling.
-Melissa is hier daarnet al langs geweest. Arm meisje.
-Ook voor haar moeten we er zijn.
-Het was te veel voor haar. Ach, hoe moet het nu verder?
-Hij slaat zich er wel door. We mogen de moed…






…niet genoeg dus.
-Wat wil je ook? Hoe konden we nu weten dat er nóg mensen op dat oude industrieterrein komen.
-Wat staan we hier nu te doen? Wat is eigenlijk je plan? Vind je niet dat we dit al ver genoeg hebben gedreven?
-Hou je bek toch, lafaard.
-Bert, laat hem alsjeblieft zwijgen, of ik sla…
-Verdomme toch! We zijn hier in een ziekenhuis. Het was al onvoorzichtig genoeg om hier te komen.
-Maar Bert, ik… ik moest gewoon weten of hij het had gehaald of niet.
-Waarom? Was je geweten dan gesust?
-Ach, doe niet zo belachelijk. Als hij begint te praten…
-Hij ligt in een coma!
-Hou jij je er maar buiten, idioot!
-Sssst! Stil nu. We weten nu hoe hij eraan toe is. Er rest ons nog maar één ding te doen.
-Dat kan je niet menen.
-Denk toch eens na! Als we hem nog een tijdje voort hadden geslagen, zou hij nu zéker dood zijn. Als hij uit die coma komt, kan hij beginnen praten.
-De verpleegsters gaan meteen weten dat wij het waren. Die houden dat toch bij wie er wanneer op bezoek komt? Trouwens, wat als we zijn vriendin hier tegenkomen? Die zou ons nog herkennen. En hoe denk je dat trouwens te doen? Hier geraken we niet zo maar buiten, eens we het gedaan hebben.
-We moeten het over een…
-Wie zijn jullie?
-Ik ben Thomas.
-Joris.
-Ber… Bernard. Eh… wij studeren op dezelfde hogeschool als Frederik.
-Ah zo. Ik ben zijn vader. Luister, had Frederik ruzie met iemand op school? Ik bedoel, is er iemand die hem totaal niet kon uitstaan?
-Ik denk niet dat je het op zijn school zal moeten zoeken. Het gaat hier om puur… ach… wie doet nu zoiets?
-Het is vreselijk.
-Inderdaad. Als ik die kereltjes ooit te pakken krijg… Ik mag er niet aan denken. Ik word er misselijk van. Al dat zinloos geweld. Je denkt dat het je niet zal overkomen, maar dan gebeurt het met je eigen zoon.
-Ik… ik vind het heel erg, meneer…
-Vercauteren. Hij heet Frederik Vercauteren.
-Wat een gewone achternaam.
-Ja, kan dat niet?
-Nee… ik… het spijt me.
-Meneer Vercauteren, wij…






…dat ik weet.
-Dat is vreemd. Je zou denken dat jij iedereen waar hij mee op school omgaat, kent.
-Dat is ook zo. Maar van een Bernard en een Joris heb ik nog niets gehoord. Misschien van een ander departement of zo?
-Ach, laat ook maar.
-En er was nog iemand, zei je?
-De derde persoon weet ik al niet meer bij naam.
-En… hoe gaat het?
-Ik probeer me sterk te houden voor Marianne en Eline, maar dat lukt niet zo goed. En met jou? Gaat het al wat beter met je…?
-Dat is het minste van mijn zorgen.
-Neem… neem je het hem kwalijk?
-Neen. Ze waren met z’n vieren, hij alleen. Ze hadden het op hem gemunt. Misschien wist Frederik wel dat ze mij niets gingen doen.
-Maar dat heeft die ene dan wel gedaan?
-Dat is klein bier vergeleken met wat die anderen bij hem hebben gedaan, dat is, dat is…
-Ik ben blij dat je het hem niet kwalijk neemt. Zeg eens, hoe zagen die kerels er eigenlijk uit?
-Twee van hen waren kaal. De anderen zagen er vrij normaal uit eigenlijk. Ik kon hen sowieso niet goed zien. Het was vrij donker.
-Weet je, één van die jongens die hier daarnet zijn geweest was kaal. Zou het…? Wat zouden ze hier dan komen zoeken? Je kent hen echt niet van de hogeschool?
-Nee, ik had ze nog nooit eerder gezien. Frederik misschien wel.
-En die kerel die je heeft…
-Die was kaal. Vrij stevig gebouwd. Pukkels in het gezicht. Een baardje. Drie oorbellen in zijn linkeroorlel. Hij droeg vrij donkere kledij.
-Ik zal erop letten. Als ik hem tegenkom, zal ik wel weten dat hij het is. Kaal, baardje, pukkels en vooral die drie oorbellen… Nogal duidelijk als je het mij vraagt.
-Luc, als je hen ziet… doe geen domme dingen.
-Dat kan ik niet beloven. Wil je hier misschien vaker komen? Misschien komen die drie jongens nog eens terug. Als je hen dan herkent…
-Als zij het waren, komen ze hier niet meer terug. Wat zouden ze hier trouwens komen doen?
-Ik weet het niet. Het enige…
-Ah, daar is de dokter.
-Goedemorgen.
-En, dokter? Weet u al iets meer?
-Meneer, jongedame, ik heb bijzonder slecht nieuws…





maandag 25 juli 2011

Nieuwe singles

Enkele singles die tegenwoordig mijn appreciatie weten op te wekken:
En laten we niet onnozel doen, ook deze clip 'mag er zijn':

Check zeker ook nog:

Grinderman - Mickey Mouse and the Goodbye Man
Bon Iver - Calgary
Syd Matters - Hi Life
dEUS - Constant Now
Red Hot Chili Peppers - The Adventures of Rain Dance Maggie
Moby - Lie Down In Darkness
Dels - Capsize
Peter Murphy - I Spit Roses
The Horrors - Still Life
Beirut - East Harlem
Elbow - Lippy Kids
Hard Fi - Good for Nothing
R.E.M. - Oh My Heart
Rival Sons - Pressure and Time
The Joy Formidable - Whirring
Kasabian - Switchblade Smiles

vrijdag 22 juli 2011

Balzac in Parijs

Honoré de Balzac in Parijs

Op de Belgische Nationale Feestdag trek ik weer naar Parijs, deze keer om in de voetsporen van Honoré de Balzac te treden, één van Frankrijks meest doodgeknuffelde schrijvers – zij het niet in zijn eigen tijd – en ook de lievelingsschrijver van Bart Van Loo, de mans wiens wandelingen ik nu voor een tweede keer door Parijs zal volgen. Zelf heb ik nog maar één roman (en een kortverhaal) van deze beroemde schrijver gelezen: het straffe Eugénie Grandet, dat zich bijna volledig afspeelt in het pittoreske stadje Saumur, gelegen in het westen van de zeer mooie Loirestreek. Het meest verdienstelijke aan Balzac is dat deze kleine man zovéél heeft geschreven. Van de geplande 134 delen van zijn encyclopedie-in-romanvorm La Comédie Humaine, de grootste romancyclus uit de 19e eeuw, heeft hij er 95 geschreven, en de reden waarom hij zijn werk niet heeft afgemaakt, is eenvoudigweg omdat de beste man niet bijzonder oud is geworden. Het alsmaar schrijven heeft hem de das omgedaan. Hij pleegde een niet te onderschatten roofbouw op zijn lichaam, de prijs die hij moest betalen voor het reusachtige aantal boeken die hij heeft geschreven. Toch is hij nog een stuk ouder geworden dan die arme Maupassant, de man in wiens teken mijn vorige tocht naar Parijs stond.
Het eerste dat ik doe in Parijs is diezelfde Maupassant gaan groeten op diens laatste rustplaats: het Cimetière de Montparnasse. Het eerste dat ik zié wanneer ik uit de bouche de métro kom, is die lelijke Tour de Montparnasse weer, die vorige keer iets vaker in mijn zichtveld opdook dan me lief was. Het regent. Ik wandel tussen de doden. Het duurt toch een halfuur voor ik onze geliefde kortverhaalschrijver heb gevonden. Eindelijk. Net wanneer ik het lezen van de honderden Franse en joodse namen beu begin te worden en besef dat ik eigenlijk niet zo erg veel van kerkhoven hou, lees ik de naam GUY DE MAUPASSANT. Mijn hart maakt een vreugdedansje, hoe ongepast het ook moge zijn. Maar meteen daarna loopt het over van eerbied voor deze grote meneer. Op zijn kleine, eenvoudige en niet bijzonder mooie graf liggen restanten van verschillende generaties bloemen en dankberichtjes. Ook ik schrijf het veelzeggende MERCI op een metrokaartje en leg het naast de jonge schrijver te rusten. Hier eindigt dan eigenlijk pas echt mijn wandeling van twee maanden eerder. Was het weer maar even goed als toen. De regen was heel gepast voor mijn wandeling door het kerkhof, maar nu mag het voor mijn part echt wel eens opklaren.
Mijn wensen worden min of meer verhoord en het wordt zelfs iets warmer. En dat midden juli! Een lange wandeling brengt me bij het beginpunt van de Balzac-wandeling, na me eerst langs het oude klooster van Port-Royal en de kerk van het Val-de-Grâce te voeren. In de Rue Tournefort staat, als we Balzacs Le Père Goriot mogen geloven, het ongelukkige, treurige, weerzinwekkende, stinkende, verkommerde pension Vauquer, van waaruit de belangrijkste personages van de roman in het begin al op geniale wijze worden gekarakteriseerd. Zo doet Balzac dat altijd: hij sleept je mee in een verhaal waar je nog voor er ook maar iets gebeurt, al na enkele pagina's dol op bent. Ik blijf staan voor het gebouw met huisnummer 28, dat wellicht als inspiratie voor het kosthuis heeft gediend. De Rue Tournefort zelf, dat in 1819, het jaar waarin het verhaal zich afspeelt, nog Rue Neuve-Sainte-Geneviève heette – de oude benaming is nog te lezen ter hoogte van huisnummer 20, dit tussen twee naamplaatjes van Rue Tournefort – staat op een flinke helling. In de roman vertelt Balzac hoe dit nog meer zorgde voor de isolatie van deze straat, in een al niet bijzonder populaire of drukbezochte uithoek van Parijs.
Ik wandel verder naar de voormalige Eglise de Saint-Geneviève, nu het Panthéon, dat ik twee maanden geleden al uitvoerig heb bezocht. Jammer dat Balzac hier nooit is terechtgekomen. Nochtans verdient hij het om zich tussen Hugo, Dumas en Zola ten ruste te leggen. Maar hij moet het doen met Père-Lachaise, en dat is zeker geen slecht alternatief, als ik de mensen zo mag geloven. Inderdaad, ik ben er zelf nog nooit geweest. Na al die keren dat ik Parijs heb bezocht, ben ik er nog niet geraakt. Gelukkig dat het einde van de wandeling mij daar eindelijk zal brengen. Verder nu naar de Jardin du Luxembourg, waar het altijd fijn vertoeven is. Het is ook een park dat vaak aan bod komt in Illusions perdues, een van de belangrijkste werken van Balzac. Deze keer blijf ik er niet lang en wandel ik langs de Senaat de Rue de Tournon in. In deze straat woonde de schrijver drie jaar lang op nummer 2. Hij schreef er zijn eerste min of meer succesvolle roman.
Nu is het de hele tijd rechtdoor, tot ik aan de Seine uitkom. Maar eerst valt er nog vanalles te bezichtigen. Zo is Rue de Seine en de hele wijk rond de Eglise Saint-Germain-des-Prés een waar Mekka voor kunstliefhebbers. Ik kom er de ene gallerij na de andere tegen, en allemaal representeren ze een andere kunststroming. Zowat alle ismes die ik in de les esthetica heb geleerd, komen aan bod. Midden in deze wijk, in de zeer smalle Rue Visconti, is Balzac ooit een drukkerij begonnen. In het huis ertegenover heeft de voor de Franse letteren essentiële dramaturg Racine zijn hele leven gewoond. Hij is er ook gestorven. Geen onbelangrijke straat dus. Bart Van Loo informeert me in zijn Parijs Retour ook over de u allen bekende kunstenaar Cristo, die deze steeg in 1962 met honderden vaten stookolie blokkeerde. Ik wandel verder de Rue de Seine af, langs enkele drukbezochte, gezellige restaurants. Fijne wijk hier! Aan de Académie Française groet ik snel het standbeeld van Voltaire, alvorens het welbekende uitzicht op het Louvre zich aan de overkant van de Seine ontvouwt. Hier stond ik twee maanden geleden ook, net voor ik Boule de Suif in een van de literaire stalletjes kocht. Dat doet me eraan denken dat ik ook vandaag een roman van Balzac wil kopen.
Ik kuier langs de Seine en steek de Pont du Carrousel over. Links van me ligt de Pont Royal, waar in La Peau de chagrin het hoofdpersonage Raphaël de Valentin zich nog net bedenkt alvorens een einde aan zijn miserabele leven te maken door in de koude Seine te springen. Ik zie een kleine vrouw een ring oprapen, ze komt naar me toe, veinst verbazing en zegt dat het echt goud is, waarna ze het rond mijn ringvinger schuift. Ik zeg dat zij het voor mijn part mag hebben, maar ze antwoordt dat de ring niet past. Wanneer ik verder wandel, vraag ik me af of ik niet nog net had gezien dat ze die ring zelf liet vallen, maar veel tijd krijg ik niet om hier over na te denken, want ze komt terug en vraagt wat geld om te overleven. Ik geef haar de ring, die ik met enige moeite van mijn vinger heb kunnen lostrekken, maar ze weigert en blijft aandringen. Ik weet nog net te ontsnappen. Even later, wanneer ik al bijna de ingang van het Louvre heb bereikt, zie ik in de verte dat ze dezelfde truc uithaalt bij twee andere toeristen. Tegenwoordig bedenken ze echt alles om een beetje geld uit de beurs van reizigers los te weken.
Aan de Quai Mitterrand zoek ik naar romans van Balzac in een vijftal verschillende boekstalletjes. Zonder succes. Alleen m’n vingertoppen worden er zwart van. Vreemd dat ik er geen enkele vind. Maar er zullen zich nog wel gelegenheden voordoen. Ik sla de Rue de l’Amiral de Coligny in en bewonder de oostvleugel van het Cour Carrée aan m’n linkerkant en de gevel en toren van de Eglise Saint-Germain-l’Auxerrois aan m’n rechterkant. Iets verderop heb je dan nog het Oratoire du Louvre, dat hulde brengt aan de admiraal Gaspard de Coligny. Na even wandelen, bereik ik het Forum des Halles, de rustige tuin met de imposante ronde handelsbeurs en de bekende Eglise Saint-Eustache als belangrijkste monumenten. In de verte zie ik ook nog het buizencomplex van het Centre Pompidou. Lang geleden dat ik hier ben geweest. Ik rust even uit op een muurtje maar wordt geplaagd door een wesp. Verder dan maar.
Ik wandel de Rue Coquillière uit, langs waar ik al was gekomen en vind het gebouw waar Balzac nog als loopjongen heeft gewerkt. Iets verder beland ik in de zeer gezellige Galerie Vivienne, een oud stukje Parijs waar het heerlijk rondkuieren is. In de authentieke boekenwinkel op het verste punt van de passage koop ik Balzacs Le Père Goriot, in de Le Livre de Poche editie van 1972.
Ik zoek de oude Bibliothèque Nationale en moet aan de ingang eerst mijn rugzak laten controleren. Ik slenter wat doelloos rond op zoek naar de bekende grote leeszaal waar Bart Van Loo het in zijn boek over heeft. Het duurt niet lang voor ik een gesloten deur bereik waar op staat dat je niet binnen mag zonder pasje en dat je geen foto’s mag nemen. Toch neem ik er snel één door het raampje. De leeszaal is overrompelend. Overal waar je kijkt, zie je boeken. Binnen werken de lecteurs druk aan waar ze ook mee bezig zijn. Een jonge vrouw verlaat de zaal en vraagt me of ik ook een lecteur ben. Ik zeg non en laat mezelf uit. Het is plots mooi weer en zelfs warm. Ik vraag de weg naar het bekende Palais-Royal, dat dichter was dan ik dacht. De tuin ligt er heel mooi bij en verschillende mensen rusten uit op de gezellige stoeltjes aan de waterpartij, of op de bankjes tussen de bloemen. Ook ik moet even uitblazen. Het Koninklijk Paleis werd trouwens slechts heel kort door een koning bewoond, namelijk Lodewijk XIV, maar een echt koninklijk paleis wordt het dus nooit. Daar dienden vooral Versailles en het nu verdwenen paleis in de Tuileries voor. Het Palais-Royal verviel al gauw in een soort van gok- en prostitutietempel. Ook Balzac kwam hier ’s avonds vaak rondhangen. Ik wandel rustig langs de boetiekjes en beland op het pleintje met de overbekende zwart-witte zuilen van Daniel Buren, waar heel wat groepjes toeristen de meest typische foto’s maken. Ik doe natuurlijk mee. Dit is voor mij een van de meest nostalgische plekjes in Parijs. Het is geleden van toen ik kind was dat ik hier nog ben geweest, en nochtans ben ik daarna nog een vijftal keer naar Parijs getrokken. Gezellig pleintje, jammer dat de uitgebreide werken de sfeer ietwat minder speciaal maken.
Vlak achter het Palais-Royal ligt het Louvre. Net zoals twee maanden geleden – en al die andere keren dat ik in Parijs was – stap ik de drukke, gigantische binnenplaats binnen. Altijd bijzonder om hier te komen, tussen de honderden toeristen. Ik wandel naar de Arc de Triomphe van het Louvre, op de Place du Carrousel, en kijk recht over de as die van het Louvre helemaal tot de verafgelegen Défensewijk leidt. Vooral de indrukwekkende tuin van de Tuileries maakt dit vergezicht zo mooi. Net zoals Balzac zo graag deed, wil ik langs het Terrasse des Feuillants door de tuin wandelen, richting Place de la Concorde. Nu is er een soort van pretpark, of beter, Sinksenfoor, aan deze kant van de tuin. Zo’n vijf jaar geleden was ik hier ook en ik herken zelfs nog alle attracties. Beetje een stijlbreuk met de witte beelden en op maat gesnoeide struikjes in de tuin, maar best wel gezellig. Als ik rechts kijk, zie ik de imposante zuil op de Place Vendôme, waar Napoleon, Balzacs grote voorbeeld, nog steeds even trots over Parijs kijkt.
Het is later dan ik had gedacht, en ik moet nog naar het museum over het leven van Balzac én naar Père Lachaise. Een volgende keer. De tijd dat ik in Parijs kan doorbrengen, is net iets te kort voor dit dagje Balzac. En ik kijk net zo uit naar het museum en vooral naar dat wereldberoemde kerkhof waar ik nu nog steeds geen voet heb gezet! Wanneer ik richting Place Vendôme wandel, komen donkere wolken weer opzetten. In de regen bewonder ik nog de zeer gedetailleerde veldslagen die de zuil verhaalt, en wandel dan helemaal naar het Centre Pompidou, waar ik nog even tot rust wil komen alvorens de trein te nemen. Hier kom ik heel graag. De gemotoriseerde fantasiefonteintjes op de Place Igor Stavinsky hebben altijd tot mijn verbeelding weten te spreken, en, hoewel ik er nog nooit ben binnengeweest, hou ik ook van de kolossale complexiteit van het op zich lelijke maar veelkleurige museum. Een plekje om te koesteren.
Laatste halte is het Place de l’Hôtel de Ville, waar net een rockconcert bezig is. Ik bewonder nog even het stadhuis, de palmbomen en het prachtige zicht op de Notre-Dame, en duik dan de metro in. Op de trein naar huis begin ik mijn tweede Balzac te lezen, het wordt tijd! Ik sla het boek open en begin te lezen over het pension in de Rue Neuve-Sainte-Geneviève, waar ik die middag nog mijn Balzac-wandeling door de Lichtstad was begonnen: “Madame Vauquer, née de Conflans, est une vieille femme qui, depuis quarante ans, tient à Paris une pension bourgeoise établie rue Neuve-Sainte-Geneviève, entre le quartier latin et le faubourg Saint-Marceau.”
Wordt vervolgd!




Balzac, Honoré de, 1972, Le Père Goriot, Paris: Librairie Générale Française: Le Livre de Poche.
Van Loo, Bart, 2006, Parijs Retour, Antwerpen: Meulenhoff | Manteau.

zondag 17 juli 2011

Festivalverslag Dour 15 juli 2011

We zijn nog eens langs Dour gepasseerd, en wel op 15 juli, de tweede dag van deze editie. Bikinians mochten de Club Circuit Marquee openen met hun catchy indierock. De zanger was prettig gestoord en ook nogal speciaal gekleed. Tijdens één van hun zeer overtuigende songs belandde hij zelfs in het publiek, waar hij eerst op surfte alvorens zich door de vroege menigte te laten omringen en samen alles te geven op deze zeer fijne alternatieve rockmuziek. In La Petite Maison dans la Prairie deed ik het vervolgens wat rustiger aan met de IJslandse Canadees Leif Vollebekk en zijn knappe liedjes, waar wel eens een monharmonika, een contrabas en een viool bij te pas kwamen.
Daarna in de Marquee de Schotten van Dananananaykroyd - wat een groepsnanananaam! - en hun geschifte, extreem opzwepende 'fight pop'. De heren - en vooral de twee ADHD-zangers - hadden het publiek volledig in hun macht en lieten hen moshen tot de stukken eraf vlogen. Zelf waagden ze zich ook even in het publiek. Vooral hitjes als "Black Wax" en "Muscle Memory" deden het goed. Deze festivaldag verzochten maar liefst drie bands ons om allemaal te gaan zitten en vervolgens, op een soort van muzikale ontploffing, weer recht te springen, en zij waren de eerste. De twee andere bands waren Papa Roach en Klaxons. Geslaagde show! Weer naar het huisje in de prairie voor Anika, vrij speciale muziek met knappe vrouwenzang en vrij repetitieve, soms dreunende muziek. Beetje saai op den duur, maar verre van slecht. In de Dance Hall ging ik dan weer de Parijse rockgroep Jamaïca zien, welbekend van het bescheiden maar zeker lekkere hitje "I Think I Like U 2". Heel catchy rocknummers waar je spontaan vrolijk van wordt, leuke riffs, coole gitaarsolo's maar geen scherpe randjes - alsof dat altijd nodig is natuurlijk.
Het was mooi weer, dus het werd eens tijd om een optreden in open lucht te gaan zien, aan The Last Arena bijvoorbeeld, van pakweg Papa Roach. Derde keer dat ik deze met emo beladen nu-metalband zie en elke keer spelen ze minder songs dat eerste, nog deftige, album. De band is nog pure nostalgie voor mij, maar dus steeds minder. Ondertussen weet de groep, aangevoerd door de immer aanstelligere Jacoby Shaddix, formerly known as Coby Dick, een heel nieuwe generatie tieners te boeien, met saaie, melige, ongeloofwaardige emosongs als "Scars", "Forever" en "Lifeline". Gelukkig waren er nog "Between Angels and Insects" en "Dead Cell", de twee beste nummers van de set, en ook de afsluiter "Last Resort" was weer heel intens. Heb me dus soms wel geamuseerd maar voelde me toch grotendeels een buitenstaander bij dit circus.
Daarna Das Pop in de Marquee, maar slechts het eerste halfuur van gezien. Echt geluk had ik niet met de nummers die in dat eerste deel van het concert aan bod kwamen. Het waren bijna al mijn minst favoriete Das Pop songs. Nu, moeilijk is dat niet, want van hun oude, beste periode spelen ze zo goed als niets meer. Tien jaar geleden was ik laaiend enthousiast over Bent Van Looys bandje, maar de nieuwe richting die ze zijn ingegaan vind ik gewoon saai. Niet dat de nummers niet heel goed in elkaar steken, zoals altijd, maar echt om van achterover te vallen zijn ze al lang niet meer, en dat is spijtig. Het laatste nummer dat ik nog zag, alvorens me elders te begeven, was wel vrij intens en zeker nog de moeite. En die twee gigantische dobbelstenen aan beide zijden van het podium zullen ook nog wel in het publiek zijn beland. Maar toen zat ik al lang in La Petite Maison, waar mijn trommelvliezen verpulverd werden door de gestructureerde - en ontzettend luide - chaos van This Will Destroy You, post-rockgroep naar mijn hart. Net zoals bij veel post-rockconcerten was het ook deze keer trippen, hoewel sommige mensen hier niet genoeg aan leken te hebben en lustig begonnen te 'gebruiken'. Straffe pletwalsmuziek waar je... stil van wordt. In de Cannibal Stage tent ging ik enkele liedjes meespringen en -moshen op de ecclectische metalband Skindred, met de opvallende frontman Benji Webbe. Deze heren malen alles in hun muziekmolen, van dancehall over hip-hop tot dubstep. Belangrijk bij deze band is de energie die ze bij het publiek opwekken, en ook hun zin voor experiment is bewonderenswaardig. Maar écht mijn ding is het niet. Daarna nog enkele gangsta-rapnummers van de zich net iets te serieus nemende Ice Cube, een van de vele derderangsrappertjes, vandaar dat de naam u mogelijk weinig zegt. Eén nummer droeg hij op aan die andere flutrapper Nate Dogg, die eerder dit jaar op veel te jonge leeftijd is gestorven. Van The Dø heb ik niet veel gezien, aangezien ik ook nog moest eten. Vernieuwende muziek moet altijd worden gewaardeerd, al waren de energieke nummers van deze bevallige, zwoele Finse dame en haar kornuiten niet echt iets vor mij, hoewel ik moet toegeven dat het hitje "Slippery Slope" zeker niet onopgemerkt is gepasseerd. Had nog graag het mooie "On My Shoulders" gezien, maar de honger knaagde. Next!

Eindelijk, de Schotse pioniers van de post-rock. Ik had Mogwai nog nooit live gezien en besloot vooral daarom om naar Dour af te zakken, vooral nu met dat magnifieke nieuwe album met de hilarische naam "Hardcore Will Never Die... But You Will!". Daar speelden ze dan ook enkele songs uit, waaronder de ware festivalanthem - dat is nu wel bewezen - "Rano Pano" en het eerder dansbare "Mexican Grand Prix". Ook de klassiekers kwamen aan bod, zoals het vijftien minuten lange "Mogwai Fear Satan" - van een intens hoogtepunt gesproken! - en de allesverwoestende afsluiter "Glasgow Mega-Snake". Ze mochten maar een uur spelen, wat veel te kort is voor een band van dit kaliber, maar ik hoop ze zeker nog eens tegen te komen!
Klaxons waren al een kwartier bezig toen ik me bij het feestje voegde. Het duurde niet lang voor ik tot het donkere hart van de moshpit was doorgedrongen. Net zoals in 2007 op Werchter werd het een onvergetelijk feest. De snelle, nog steeds erg hippe new rave, spacepop, of hoe je het wil noemen maakte iedereen blij, oh zo blij. Vooral "Magick", "Echoes" en afsluiter "It's Not Over Yet" deden het uitstekend. Na afloop bleef het publiek, dat zich slechts heel traag naar de uitgang van de Marquee begaf, nog luidruchtig doorfeesten. Een overwinning voor deze Britse heren!

En dan op het hoofdpodium een reünie van jewelste! De Britpoppers van Pulp zijn weer helemaal terug van zeer lang weggeweest, en dat resulteerde in een sterk concert met sfeervolle beelden op de drie rijen schermen, een waar lichtspektakel en een Jarvis Cocker die de hele boel draaiende hield met zijn natuurlijk charisma. Een optreden met veel interactie, zo bleek. Zo liep onze sympathieke frontman met een camera langs de frontline en filmde de feestende mensen daar, die in nightvision op de grote schermen werden geprojecteerd. Dé hoogtepunten waren natuurlijk "Disco 2000" en afsluiter/wereldhit "Common People". De lyrics werden uit volle borst meegezongen door zowat iedereen op de wei. Geslaagde show en voor veel mensen ongetwijfeld een nostalgische trip!
Oh wat was ik moe, het was dan ook laat. Maar ik hield vol en zette me aan een tafeltje aan La Petite Maison, van waar ik de prettige gestoorde band Deerhoof zag. Twee jaar geleden zag ik ze in de Marquee van Dour en overdag, en toen ging ik helemaal op in deze zeer plezierige muziek. Nu ging dat dus iets minder. Ik kwam vrienden tegen en we liepen nog wat over het festivalterrein, tussen de feestende mensen in. Alle podiums waren plots discotheken geworden, met de ene techno- of electro-dj al slechter dan de andere. Op The Last Arena speelde Vitalic net een vrij oninteressante remix van Goose' "Can't Stop Me Now". Een poging om gratis op de camping te geraken leek eerst te lukken, maar na tien minuten kwam iemand voor de zekerheid toch nog onze bandjes controleren en viel ik dus door de mand. Ik werd terug naar het terrein gevoerd, waar ik eerst nog een lang gesprek had met een Dours koppel - over de onderhandelingen en de verschillen tussen Vlamingen en Walen, of wat anders? - en daarna nog een stukje van de dj-set van Len Faki zag, die het wat mij betreft van de lichtshow moest hebben, want zijn muziek vond ik beneden alle peil - zo plat! Maar dat vond de rest van de Dance Hall natuurlijk niet. Ten slotte zette ik me neer in het bomenweitje naast de Dance Hall, en raakte ik nog aan de praat met andere festivalgangers. Toen ik het allemaal wat beu was, begon ik te wandelen, op weg naar het station van Saint-Ghislain, dat eigenlijk veel te ver was! Gelukkig werd mij nog niet halverwege een lift aangeboden en was ik veel sneller dan verwacht in het station, waar een kwartier later al een trein naar Brussel vertrok! Heel geslaagde Dourdag, ondanks het feit dat er eigenlijk maar drie échte hoogtepunten waren. Zonder twijfel zou Anthrax, de thrash metallegende en lid van de Big Four, een vierde hoogtepunt zijn geweest, maar spijtig genoeg speelden ze tijdens Pulp. Niet veel hoogtepunten dus, maar de dag erna maakte veel goed, want ondanks mijn groot slaapgebrek, ging ik nog naar Rock Herk - Dour in het klein, zeg maar - voor The Sore Losers, Two Gallants, de post-punkveteranen van Swans, Blood Red Shoes, Errors en vooral de noiserockhelden van A Place to Bury Strangers (fucking hell, wat waren die weer overweldigend goed!), but that is yet another story to tell...

woensdag 13 juli 2011

Top 100 romans

En ten slotte mijn favoriete romans so far...

1.       Jonathan Coe – What a Carve Up! (1994)
2.       Jonathan Coe – The House of Sleep (1997)
3.       Jonathan Safran Foer – Extremely Loud & Incredibly Close (2005)
4.       Jonathan Coe – The Closed Circle (2004)
5.       Jonathan Coe – The Rotters’ Club (2001)
6.       Mary Shelley – Frankenstein, or The Modern Prometheus (1818)
7.       Jonathan Coe – The Rain Before It Falls (2007)
8.       Paul Auster – Leviathan (1992)
9.       Bram Stoker – Dracula (1897)
10.   J.R.R. Tolkien – The Lord of the Rings (1954, 1955)
11.   Salman Rushdie – The Satanic Verses (1988)
12.   Jonathan Coe – The Terrible Privacy of Maxwell Sim (2010)
13.   Jonathan Littell – Les Bienveillantes (2006)
14.   James Joyce – Ulysses (1922)
15.   J.R.R. Tolkien – The Hobbit, or There and Back Again (1937)
16.   George Orwell – 1984 (1949)
17.   Arundhati Roy – The God of the Small Things (1997)
18.   Michael Ondaatje – The English Patient (1992)
19.   Scott Fitzgerald – The Great Gatsby (1925)
20.   Thomas Pynchon – Gravity’s Rainbow (1973)
21.   Joseph Conrad – Heart of Darkness (1899)
22.   William Golding – Lord of the Flies (1954)
23.   Ian McEwan – Atonement (2001)
24.   Hubert Lampo – De Komst van Joachim Stiller (1960)
25.   Aldous Huxley – Brave New World (1932)
26.   Paul Auster – Sunset Park (2010)
27.   Thomas Pynchon – Inherent Vice (2009)
28.   Albert Camus – L’Etranger (1942)
29.   Edgar Allen Poe – The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket (1838)
30.   Mario Vargas Llosa – De Oorlog van het Einde van de Wereld (1981)
31.   Ken Kesey – One Flew Over the Cuckoo’s Nest (1962)
32.   Robert Merle – La Mort est mon métier (1952)
33.   Vladimir Nabokov – Lolita (1955)
34.   Oscar Wilde – The Picture of Dorian Gray (1890)
35.   William Faulkner – The Sound and the Fury (1929)
36.   E.L. Doctorow – Ragtime (1975)
37.   Nick Cave – The Death of Bunny Munro (2009)
38.   Johann Wolfgang Goethe – Het Lijden van de Jonge Werther (1774)
39.   Harper Lee – To Kill a Mockingbird (1960)
40.   Jonathan Coe – The Dwarves of Death (1990)
41.   George Orwell – Animal Farm (1945)
42.   Jack Kerouac – On the Road (1957)
43.   Jonathan Safran Foer – Everything Is Illuminated (2002)
44.   Anthony Burgess – A Clockwork Orange (1962)
45.   Emile Zola – Germinal (1885)
46.   Johan Daisne – De Trein der Traagheid (1950)
47.   Michael Cunningham – A Home at the End of the World (1990)
48.   John Marsden – Tomorrow, When the War Began (1993)
49.   Virginia Woolf – Mrs Dalloway (1925)
50.   John Steinbeck – Of Mice and Men (1937)
51.   Robert Merle – Week-end à Zuydcoote (1949)
52.   Jeroen Olyslaegers – Wij (2009)
53.   Philip Roth – The Humbling (2009)
54.   Aravind Adiga – The White Tiger (2008)
55.   Pete Hautman – Mr Was (1996)
56.   H.G. Wells – The Time Machine (1885)
57.   Michael Crichton – The Lost World (1995)
58.   Paul Auster – Timbuktu (1999)
59.   Mark Twain – Adventures of Huckleberry Finn (1884)
60.   Nathaniel Hawthorne – The Scarlet Letter (1850)
61.   Don DeLillo – White Noise (1985)
62.   J.M. Coetzee – Waiting for the Barbarians (1980)
63.   John Banville – The Sea (2005)
64.   Dimitrov Toergenjev – Vaders en Zonen (1862)
65.   Michael Crichton – Jurassic Park (1990)
66.   J.M. Coetzee – Disgrace (1999)
67.   Kurt Vonnegut – Slaughterhouse Five (1969)
68.   H.G. Wells – The War of the Worlds (1898)
69.   J.D. Salinger – The Catcher in the Rye (1951)
70.   Nicole Krauss – The History of Love (2005)
71.   Amin Maalouf – Léon, l’Africain (1986)
72.   Franz Kafka – Het Proces (1925)
73.   D.H. Lawrence – Lady Chatterley’s Lover (1928)
74.   Mark Haddon – The Curious Incident of the Dog in the Night-Time (2003)
75.   William S. Burroughs – Junkie (1953)
76.   Stendhal – Le rouge et le noir, Chronique de 1830 (1830)
77.   Arthur Conan Doyle – The Hound of the Baskervilles (1902)
78.   Alice Ferney – Dans la guerre (2003)
79.   Horace Walpole – The Castle of Otranto (1764)
80.   Laurent de Graeve – Le Mauvais Genre (2000)
81.   Thomas Pynchon – The Crying of Lot 49 (1966)
82.   Peter Carey – My Life as a Fake (2003)
83.   Didier Daeninckx – Le Der des ders (1985)
84.   Toni Morrison – Beloved (1987)
85.   Hugo Claus – Het Verdriet van België (1983)
86.   Günter Grass – De Blikken Trommel (1959)
87.   Gérard de Nerval – Voyage en Orient (1851)
88.   Louis-Ferdinand Céline – Voyage au bout de la nuit (1932)
89.   Franz Kafka – De Gedaanteverwisseling (1915)
90.   Jacqueline Harpman – La Plage d’Ostende (1991)
91.   Milan Kundera – Onwetendheid (2000)
92.   Jef Geeraerts – De Zaak Alzheimer (1985)
93.   André Gide – L’immoraliste (1902)
94.   Christa Wolf – Kassandra (1983)
95.   Gustave Flaubert – Madame Bovary (1856)
96.   Douglas Coupland – Generation X : Tales for an Accelerated Culture (1991)
97.   Nathaniel Hawthorne – The House with the Seven Gables (1851)
98.   Graham Greene – Our Man in Havana (1958)
99.   Milan Kundera – Identiteit (1998)
100.                       Honoré de Balzac – Eugénie Grandet (1833)