zondag 27 januari 2013

Verlies


Beste blog-, en wie weet ook wel roman-, lezer

Het zijn opwindende tijden voor een schrijver 'in bijberoep'. Nu m'n roman Als een Ballon alweer drie maanden geleden is gepubliceerd en ik toch alweer bijna anderhalf jaar geleden aan de opvolger ben begonnen, begint het verhaal - dat er op een ander niveau dan ook weer geen is - eindelijk vorm te krijgen. Waar ik naartoe wil met de roman, ligt - in tegenstelling tot Als een Ballon - al twee jaar vast, hoewel ik vaak wou opgeven omdat de invulling maar niet kwam. Maar eindelijk is daar verandering in gekomen.

Het is duidelijk, en al meteen vanaf de titel. Ook Verdwenen zal over verlies gaan, evenzeer het hoofdthema in Als een Ballon, waarin zowel Steven als Sam met een verlies moeten kampen dat zo zwaar op hun maag ligt dat het hen volledig opslorpt en dat ze zich erin dreigen te verliezen. Felix moet zelfs met twee moeilijke gevallen van verlies omgaan. Zijn poging om de ideeën rond zijn geplande roman Als een Ballon in tekst te gieten, mislukt grandioos, en alles lijkt nu nog van een banale drink af te hangen die hij voor de andere inwoners van de Meereigen en enkele van zijn vrienden heeft georganiseerd. Alle drie de verhaallijnen draaien rond verlies en de drie personages zitten verankerd in hun eigen verleden en interpreteren hun toekomst - als ze daar al in geloven - in het teken van dat verleden en van dat verlies. In Verdwenen (eigenlijk nog maar een werktitel, al klinkt het wel goed) zal er een hele stoet aan mogelijke vormen van verlies verschijnen, van de meest banale tot de meest ingrijpende. Hoewel verlies zelfs in de titel zit - terwijl de ballon in m'n eerste roman symbool staat voor zowel euforie als verlies - worden de grootste thema's nog zwaarder. Politiek zal een groot deel van mijn volgende roman in beslag nemen. Het zijn woelige tijden en die dienen in een roman weerspiegeld te worden. Net als in mijn kortverhaal 'Béatrice' heeft de hedendaagse politiek een treffende invloed op de hoofdpersonages van een verhaal.

Waar Als een Ballon zich op één dag (een zondag in de tweede helft van januari 2009) en één plaats (Antwerpen, en in het verlengde Ekeren en Merksem) afspeelde, zal Verdwenen over een periode van enkele jaren gaan. Een dialoog met een verleden van midden jaren negentig (met New York als setting) is er niet meer, maar wel zullen er enkele personages uit Als een Ballon in m'n volgende roman komen aandraven.

Veel heb ik nog niet geschreven, en aangezien ik alle tijd heb en tegelijk niet genoeg tijd om te schrijven, zal het boek ten vroegste in 2014 kunnen verschijnen. Voor die lezers die met volle teugen van Als een Ballon hebben genoten, of zullen genieten, is Verdwenen absoluut iets om naar uit te kijken! Zelf ben ik ook erg benieuwd naar hoe mijn hersenkronkels de woorden zullen rangschikken. Ik hou jullie op de hoogte.

Nogmaals bedankt aan iedereen die ondertussen mijn boek heeft gekocht. Het gaat om inmiddels meer dan veertig exemplaren, wat ik al heel wat vind. Enkele van die exemplaren staan binnenkort in een boekenkast in Venezuela en in Oostenrijk. Dat alleen al vind ik ongelofelijk. Een dikke merci, nogmaals, voor de steun!

Zondagavondgroeten

Gert

Nabil Khazzaka's 'The Moorlough Shore'

De vorige twee clips van de Brusselse artiest Nabil Khazzaka, die vorig jaar zijn zeer aangename eclectische plaat It's Hot! It's Hot! It's Hot! uitbracht, waren al een streling voor het oog. Vooral die voor zijn vorige single 'This Is Where Your Story Ends', dat het sprookje van Roodkapje een nogal gruwelijke twist gaf, zonder dat de videoclip - en het nummer - iets van hun magie en weemoed verloren.
Voor de derde single uit zijn album, het oude Ierse volkslied 'The Moorlough Shore' geserveerd met een pikant dubstep-sausje, maken we een grote tijdsprong naar het Ierland van een niet nader bepaalde toekomst, in een hypermoderne bar waar enkel groene Guinness wordt geserveerd. Het oeroude liefdesverhaal in een futuristisch jasje, zeg maar. Iedereen draagt enkel zwart, en aangezien de Ierse cultuur nog steeds hoog in het vaandel wordt gedragen, prijkt er op elk pak een Keltische rune. Er is duidelijk over deze clip nagedacht!
Net als in Nabils twee vorige videoclips doet de Brusselse actrice Magali Genicq ook deze keer mee. Ikzelf zat weer in de figuratie - deze keer als barman - en het ziet ernaar uit dat ook deze videoclip weer een knap staaltje verbeeldingskracht zal tentoonstellen. Aangezien de clip vandaag is opgenomen, zal het nog enkele dagen duren vooraleer die online te bewonderen is. Hieronder vind je wel al enkele foto's om je al even zoet te houden.


Most pictures by Charlotte Pieters


maandag 21 januari 2013

Literaire middag Droomstof: Zwarte Romantiek en Romantiek

Op 20 januari presenteerde de Meppelse schrijver Gerrit Barbé een literaire middag in het Drukkerijmuseum in het pittoreske, landelijke Meppel, een typisch Nederlands provinciestadje dat meer op een dorp lijkt maar toch alle ingrediënten bezit: kerktoren, molen, grachten, gezellige pleintjes, historische huisjes. Het Drukkerijmuseum zelf is ook zeer de moeite waard, en wanneer daarin een gezonde dosis literatuur en muziek wordt geïnjecteerd, krijgen we een onvergetelijke setting.
Het thema van de eerste editie van het literaire tijdschrift Droomstof is 'Zwarte Romantiek en Romantiek'. De gedichten en de proza die erin verschijnen zitten het boekje als gegoten. Puik werk, Gerrit en alle schrijvers die erin gepubliceerd zijn: Paulina Raas, Jonathan Van Limbergen, Merel Feenstra, Henk van Huisstede, Kate Schlingemann, Ruben van Riel, Ria Westerhuis, Lore Vanhoutte, Joost Oomen, Gerrit Barbé en Gert Vanlerberghe.
Het is 19 januari en na een lange treinreis langs Roosendaal, Rotterdam, Utrecht, Arnhem en Zwolle, beland ik in Groningen, een van de mooiste steden van Nederland, met twee indrukwekkende kerken: d'Olle Grieze ofwel Martinustoren - op één na hoogste kerktoren van het land - en de geel gestreepte Der Aa-kerk, enkele zeer gezellige pleintjes en tuintjes, een neoclassistisch stadhuis, een stijlvolle Korenbeurs en het Goudhuis als kers op de taart. Al aan het station word ik verwelkomd door het architecturaal bijzonder interessante Groninger Museum, dat op de oever van de singel staat. Langs de singel wandelen is trouwens een mooie ervaring, maar in deze koude toch niet helemaal aan te raden. Wat me wel pas na een halfuur opvalt, is dat hier helemaal geen sneeuw ligt. Tot Arnhem lag het land onder de sneeuw, net zoals buurland België, maar hier in het noorden, in de provincie Groningen, geen sneeuw te zien. Ik laat me bedienen door de charmante serveuses van het gigantische restaurantcomplex De Drie Zusters en eet er smakelijk.
Vervolgens neem ik de trein naar Meppel, waar Gerrit me opwacht. Hij had me al verwelkomd in Utrecht en reisde met me mee tot Zwolle, vanwaar hij naar Meppel trok. Het is avond, heel koud, maar er valt geen sneeuw. Nochtans kondigt de NS hevige sneeuwval aan.
De volgende dag maak ik samen met Gerrit de Houwinkzaal van het museum een ware literaire tempel. Het duurt niet lang voor de fotograaf en de eerste artiesten komen binnenvallen. Daarna de eerste gasten. In totaal komt er zo'n vijftig man naar ons kijken! Dat is zeker meer dan we hadden verwacht.
De presentatie neemt de Drenthse dichteres Ria Westerhuis, bekend van Minne Zinne, voor haar rekening en dat doet ze op voortreffelijke wijze, maar niet vooraleer Gerrit Barbé de literaire middag voor geopend verklaart met zijn aangrijpende gedicht 'Droomstof'. Johan Sportels, Joke Kruid en Astrid Voerman brengen parels van gedichten voor, die van nu af aan voor altijd aan het weelderige halssnoer Droomstof zullen pronken. Ook de presentatrice vuurt enkele dijken van gedichten op ons af, in haar eigen dialect. Vooral het satirische gedicht 'Tachtig Tinten Rood' valt erg in de smaak. 
Ook ik lees enkele tekstjes voor: 'Lost Trace' en 'Valley of Shame'. Er volgt ook een voordracht uit m'n roman. Aangezien de passage waarin John de cipier van zijn gevangenis en diens dochter een loer draait, in Eindhoven veel succes had, lees ik het ook in Meppel voor. Ook hier wordt fragment uit Als een Ballon op gelach en positieve feedback onthaald. Voor het eerst lees ik ook mijn oude kortverhaal 'Het Woud' voor een publiek.
Er is ook muziek! Berjan de Ruiter, vergezeld van zijn gitaar, zijn mondharmonica en zijn prachtige stem, brengt enkele covers van Bruce Springsteen, The Bee Gees, Boudewijn De Groot en Neil Young. Hier en daar wordt er zachtjes meegezongen. Grote klasse.
We krijgen ook enkele liedjes van Gerrit Barbé zelf, die vroeger bij SubZero speelde. Met Hester Bouwmeester en Jeroen van Huissstede speelt hij twee mooie nummers: één Engels- en één Nederlandstalig.
Tegen de avond begint de eerste sneeuw te vallen. Veel later dan in de rest van het land, waar nu een centimeters dik tapijt ligt, dat heel het spoorwegverkeer overhoop gooit. Vanavond nog thuis geraken is onmogelijk en ook voor morgen ziet het er twijfelachtig uit. Gelukkig vangen Ria en Frits me heel gastvrij op in hun woonst in De Wijk en zo wordt ook deze avond zeer gezellig.
De dag nadien heb ik geluk. Ik heb meteen een trein die uitzonderlijk helemaal naar het zuiden van het land rijdt. Vier uur lang brengt de Intercity trein me langs een betoverend wit landschap, vier uur lang rolt Nederland langs mijn raam voorbij: Drenthe en zijn ooievaars, de knappe stations van Lelystad en Almere, door de witte toendra van Flevoland, met haar wilde paarden, runderen en herten, voorbij historische pronkjuweeltjes Leiden, Delft, Dordrecht, het erfgoed en de bevroren grachten van de hoofdstad, over de IJssel, over het Hollandsch Diep, helemaal naar Roosendaal.



De literaire middag in Meppel was een succes! Ik heb er van het begin tot het einde van genoten en erg lieve en interessante mensen ontmoet. Tegen de avond

Foto's van de Literaire Dag zelf door Marlon Te Vrede
Foto's van Groningen, Meppel en Amsterdam door mezelf

dinsdag 15 januari 2013

DAN - 16, 17, 18

Het vervolg op de ongelofelijke omzwervingen van Dan Keith. Lees hier de eerste delen!


16.


“Misschien hebben ze wel gelijk, Oinoc. Misschien moeten we wat malser zijn voor vrouwen, zwarten en homoseksuelen.”
“Ach, hou toch je stomme kop”.

***

Na uren wandelen door het bijna ondoordringbare woud kwamen we weer op het mooie open landschap uit. Op dezelfde plek als vorige nacht hielden we halt en rustten we uit.
“Ik ben het hier meer dan beu. Misschien wordt het eens tijd om terug naar de Havenstad te keren. Maar hoe?”, stelde Oinoc voor.
“Ben je gek?”, riep ik uit. “Als we daar aankomen, fusilleren ze ons omdat we met de vijand hebben geheuld!”
“Zo’n vaart zal het wel niet lopen. Trouwens, jij kan altijd omvaren naar de Metropool.”
“En daar ontvangen worden door een regime dat de Bende en alles wat ermee te maken heeft, heeft verboden. Ze zullen me graag zien komen.”
“Oké dan. Dan is er nog de Stad”, zuchtte Oinoc geërgerd.
“Nu nog mooier! Natalia en Marr zullen mijn vlucht als hoogverraad zien en me in een van hun kerkers laten wegkwijnen, als ze me al niet dood slaan! Bovendien wil ik niet zonder mijn Juliana vertrekken.”
“En wat zal er gebeuren, denk je, wanneer we terugkeren naar dat achterlijke dorpje waar je haar hebt achtergelaten? Dalc zal ons laten fusilleren, om dezelfde reden als de officiers van de Havenstad. Denk toch eens na, man! We zijn het leger ontvlucht om met de rebellen te gaan vechten. Ook dat is hoogverraad.”
“Dan moeten we naar de Hoofdstad gaan en van daaruit Juliana opsporen”, besliste ik steevast.
“Dan, soms lijk je me nog dommer dan je eruit ziet. Waar denk je dat Dalc op dit moment vertoeft met zijn blanke slavin? In de Hoofdstad natuurlijk! Hij was enkel op inspectie in dat dorpje.”
“Als dat zo is, dan is Juliana bij hem. De Hoofdstad is onze enige logische bestemming. Desnoods vermommen we ons.”
“En weet jij soms de weg naar de Hoofdstad? Is dat al in je bolle kop opgekomen? We zijn verdwaald! We zijn al dagenlang verdwaald!”
“We reizen tot we een dorp tegenkomen. Daar vragen we de bewoners de weg naar de Hoofdstad. De tijd dringt, Oinoc.”
“Ja, want het maakt een heel verschil uit of Dalc je liefste Juliana 100 keer of 1000 keer aan zijn flinterdunne degen rijgt”, merkte Oinoc met sarcastische ondertoon op. “Luister, Dan, zet haar uit je hoofd. Misschien heeft hij haar ondertussen al 100 keer zwanger gemaakt, of 1000 keer, je mag zelf kiezen.”
Mijn hart sloeg een slag over, mijn keel vernauwde, mijn hoofd draaide, mijn ogen tolden, mijn benen wankelden. Hier had ik nog nooit bij stilgestaan! De gedachte alleen al is ondraaglijk! Dat Dalc een kind bij haar zou verwekken. Monsterlijk! Nog meer vastberaden dan ooit wilde ik de tocht verder zetten. Er was maar één weg: door de velden heen. We hadden genoeg van het verstikkende oerwoud en de vruchten kwamen ons de oren en andere lichaamsholten uit. Al aten we de komende maanden enkel Oinocs groentesoep, door de velden, langs de rivier moesten we trekken!
En dat deden we. Wekenlang. Soms enkele heuvels over, maar in het algemeen een vlak landschap. Tot vervelens toe. Ook de groenten begonnen ons tegen te steken. De hazen die zich in de velden verscholen hielden, waren te snel voor ons. Voor de rest was er geen enkel levend wezen te bespeuren, behalve hier en daar een valk of een sperwer. De rivier werd steeds breder en verschafte ons elke dag vers en zoet water.
Op een dag troffen we langs de oever een wat afgetakeld, oud houten bootje aan. Oinoc deed een vreugdedansje. De stroming was hier namelijk sterk, maar niet gevaarlijk sterk, en kon ons veel sneller stroomafwaarts brengen. Dit was onze geluksdag, zo meende hij. Ook raadde hij dat de Hoofdstad waarschijnlijk aan deze rivier zou liggen, en, aangezien de rivier weken geleden, aan de rand van de jungle, nog relatief smal was, de kans veel groter was dat de Hoofdstad zich in de richting zou liggen waarin we ons begaven. Met hernieuwde hoop plaatsten we ons in het bootje en lieten we ons de rivier afvaren. Na enkele uren werd het landschap aan de oevers rotsachtig. Scherpe hoge stenen begonnen boven ons uit te torenen. Ook uit de rivier staken enkele messcherpe rotsen, waardoor we ons wat met de kapotte roeispaan tussen de rotsen door moesten navigeren. De stroming werd steeds sterker en de rivierhelling steiler. Wanneer ons plots leek dat de rivier honderd meter verder ophield, hoewel het water bleef stromen, zakte de moed ons in de schoenen.
“Een waterval!”, riep ik uit. “We hadden het kunnen denken. We hadden op tijd weer aan land moeten gaan. Nu zijn we verloren!”
We hadden nog net de tijd om een schietgebedje te prevelen alvorens we de diepte in stortten. Gelukkig was de rivier enkele meters lager heel diep en raakten we geen rotsen in onze val. Die enkele seconden die ik onder water doorbracht, meende ik een geelachtige schijn te kunnen ontwaren op de bodem van de rivier. Maar ik schonk er niet veel aandacht aan, daar ik ervoor moest zorgen dat ik geen scherpe stenen raakte. Ook moest ik zo snel mogelijk weer boven water zien te geraken. Toen dat was gelukt, merkte ik opgelucht dat ook Oinoc geen wonden had opgelopen. Versuft lieten we ons verder drijven. Ons bootje waren we kwijt. Na enkele minuten werden we hard tegen een rots gesmakt en slaagden we erin op de rots te klimmen, die niet bepaald scherp was en vlak was aan de bovenkant. Van hieruit konden we naar de oever springen. Een moeilijke klim bracht ons op een zandweggetje. Hier was tenminste een teken van beschaving. Misschien waren we niet zo ver van een dorpje, of zelfs van de Hoofdstad, zo hoopten we.
Drijfnat en rillend van de kou vervolgden we het paadje, tot we inderdaad de Hoofdstad bereikten. De stedelingen herkenden meteen ons uniform en brachten ons dadelijk naar de ziekenboeg. Daar werden we verzorgd en, toen we weer op de been waren, werden we naar een rijkelijk banket gebracht, waar we naar hartenlust konden schranzen.
De Hoofdstad was de meest indrukwekkende stad die ik ooit had gezien en geen vergelijking met de Havenstad, de Stad of zelfs de Metropool, die wel grootse wolkenkrabbers mocht hebben, maar daarmee de Hoofdstad zeker niet naar de kroon kon steken. Elk huis was bezet met diamanten en glinsterde in de zon. De overheidsgebouwen waren lang niet zo hoog als de Metropoolse wolkenkrabbers maar waren van puur goud! Hier vertoefde die dikke Dalc dus. Hier gaf hij mijn Juliana haar gouden gevangenis. De mensen leken op het eerste gezicht heel gelukkig. Ze waren rijkelijk gekleed en droegen vele accessoires en versieringen. De Hoofdstad was, in tegenstelling tot de Metropool, de Stad en de Havenstad, autovrij, maar het leek alsof niemand een auto van doen had. Alle afstanden waren gelijk aan elkaar en iedereen kon overal op tijd geraken. Iedereen was het ook perfect met elkaar eens, dus er waren geen debatten, betogingen, rechtszaken of politieke partijen in de Hoofdstad.
Niet alleen de overheidsgebouwen waren van goud. Ook de meeste deuren van de diamanten huisjes, de tafels, de stoelen, het bestek, de borden, de lantaarnpalen, de kerktoren… De straten waren bezet met edelstenen en smaragden. Ik kon mijn ogen niet geloven. Wat een paradijs. Hoe ontzettend rijk moesten de inwoners van de Hoofdstad niet zijn? En alle dorpjes van Dalcs rijk zijn zo armoedig. Ik kon deze duizelingwekkende feiten maar niet bevatten.
Ook de tralies van onze gevangeniscellen was van goud, zo merkten we later, wanneer eindelijk werd begrepen wie wij waren en we wegens desertie werden gearresteerd. Hoe ironisch dat ook een opgesloten dief deze gouden tralies met beide handen zou omklemmen. Als hier al dieven waren. Armoede bestond niet in de Hoofdstad en iedereen leek duizend maal rijker te zijn dan de rijkste inwoners van de Metropool, Moss incluis.
Een maand lang moesten we, elk afzonderlijk, in onze cel doorbrengen. De gedachte dat Juliana zich misschien op honderd meter van mij bevond, was onhoudbaar. In deze letterlijk gouden gevangenis verrichtte ik heel wat denkwerk, maar bijna alle gedachten liepen stuk op het beeld van Juliana en Dalc, Dalc en Juliana, Juliana en die dikzak, verstrengeld in een van hun zovele sadomasochistische spelletjes. Ik werd er ziek van.
Maar dit alles is een persoonlijke kwestie, besloot ik. Moss had ongelijk. Natuurlijk had hij ongelijk. Een maatschappij als die in de Metropool, met verschillende sociale lagen, waarvan de twee uitersten ontzettend van elkaar verschilden – vooral wat hun spaarboekje betreft – is onmogelijk in stand te houden. Hier leek iedereen gelijk te zij. Hier leek iedereen even rijk te zijn. Een maatschappij met een communistisch grondbeginsel waarin iedereen niet even arm, maar even welvarend is. Zou dit de enige echte haalbare maatschappijvorm zijn? Wat een eer om hier te moeten vertoeven, dacht ik. Alleen moest ik zo snel mogelijk uit die gevangenis geraken, Dalc proberen te paaien, met Juliana trouwen en mij hier in een van die prachtige paleizen, die naar de normen van deze Hoofdstad slechts woonhuisjes zijn, vestigen. Sinds die vreselijke dag in de Metropool, waarop alles dat ik ooit had geleerd, met de grond gelijk werd gemaakt, was ik voortdurend op zoek naar een plek waar het wél heerlijk vertoeven was, waar iedereen wél volstrekt gelukkig was. Misschien had ik die nu eindelijk gevonden. Alleen was ik de enige persoon die ongelukkig leek te zijn. Oinoc, die in zijn cel elke dag de meest overdadige maaltijden en de meest aantrekkelijke vrouwen werd aangeboden, hoorde je niet klagen. Verbleef Juliana ook in deze gouden stad? En was zij gelukkig? Had zij haar triestige lot naast zich neer gelegd en probeerde zij er nu het beste van te maken? Was zij mij al vergeten? Ik mocht er niet aan denken…

17.

Na een maand waren we de vertroetelingen meer dan beu. Ik vroeg aan mijn bewaker of we niet gewoon onze straf mochten uitzitten, zonder al die verwennerij. De bewaker opende meteen de gevangenisdeur voor mij en even later zag ik Oinoc op de gang.
“Oinoc,” riep ik blij, “mijn liefst Oinoc! Wordt het niet eens tijd om op zoek te gaan naar Juliana? We kunnen toch moeilijk onze oude dag als luie, wel doorvoede en rijke gevangenen doorbrengen? Gelukkig word ik er trouwens niet van, want ik mis mijn liefste te erg. Nu we eindelijk vrij zijn, kunnen we haar gaan zoeken.”
“Ik heb nog een beter idee, beste Dan”, lachte Oinoc opgewonden. “We vertrekken met de stille trom, met de noorderzon, zonder een spoor achter te laten, zonder ook maar iets achter te laten. We nemen alles mee. Of toch zoveel mogelijk. Ach, nee, dat is me te wreed. Zelfs als we slechts enkele kiezeltjes van het weggetje dat naar deze gevangenis leidt, meenemen, zijn we schatrijk in de Metropool, de Stad of de Havenstad! Dan zullen ze ons wel met open armen ontvangen.”
“Maar Oinoc, je mist compleet mijn punt. Juliana is daar niet!”, schreeuwde ik ontzet.
“Maar Dan toch, met al die rijkdom kan je alle vrouwen hebben die je maar wil! Ik begrijp trouwens niet waarom je de hele maand lang geen enkele vrouw hebt aangeraakt. Jij die toch zo graag…”
“Spreek het niet uit! Spreek het woord niet uit! Ik wil enkel met Juliana de liefde bedrijven. Enkel met Juliana!” De emotie werd me te veel en uitgeput zakte ik neer.
“Dan…”, zuchtte Oinoc, “Als we hier blijven, doodt Dalc ons. We moeten hier weg.”
“Dat is niet verstandig”, klonk het vanuit een andere kamer. Oinocs bewaker kwam tevoorschijn.
“Verklaar u nader, beste bewaker.”
“Hier hebben jullie alles wat jullie maar kunnen begeren. Ik weet dat het waar jullie vandaan komen, alles wellicht veel beter is, maar als ik zie hoe gelukkig je hier bent, Oinoc, waarom alles hier dan opgeven?”
“Hmm…”, gromde ik, “Het is duidelijk dat je niet te vaak een blik hebt geworpen in mijn cel.”
“Cel? Wat bedoel je? Jullie waren toch volkomen vrij om te gaan en staan waar jullie wilden?”, vroeg de bewaker met fronsende wenkbrauwen.
“Ik denk dat ik niet goed word…”, riep ik verbaasd uit. “Maar jullie hebben ons toch opgesloten omdat we hadden gedeserteerd?”
“We waren daar niet tevreden over, maar om jullie daarvoor op te sluiten…”, lachte de bewaker. “Ik zou niet weten waar we dat zouden doen, want hier zijn geen gevangenissen.”
Ik snapte er helemaal niets meer van. Een maand lang waande ik me in de mooiste gevangenis ter wereld, maar nu bleken het gewoon onze kamers te zijn. Dit was helemaal geen gevangenis, maar een hotel!
“En die tralies dan? En… en waar is Dalc?”
“Dalc woont in het zuiden van de stad, in een luxueus paleis. Terwijl wij hier in armoedige woningen moeten verrekken”, zei de bewaker grimmig.
“Armoedige…?”, begon Oinoc. “Maar alles is hier…! Hoe…?” En toen zweeg hij, dacht hij een minuut lang na en kwam hij met het volgende op de proppen: “Beste bewaker, of moet ik zeggen, bediende? Butler? Knecht? Vertelt u mij hoe we hier het gemakkelijkst weg geraken.”
“Dat is niet zo eenvoudig”, vertelde deze. “Via de rivier is uitgesloten. De stroming is veel te sterk.”
“Dat hebben we gemerkt, ja”, bromde ik.
“Verder is bijna heel de stad omringt door bergen. Hoge bergen. Onmogelijk om ze te beklimmen. We zitten hier vast. Maar we zijn hier graag. We zijn arm maar gelukkig”, zei de bediende goedlachs.
Oinoc en ik geloofden onze oren niet, maar we speelden het maar al te graag mee.
“Nadat we hier een maand lang in de watten zijn gelegd,” besluit Oinoc, “hebben we eigenlijk niet veel nodig. Enkel materiaal om die verduivelde bergen over te geraken en enkele van die kiezelstenen die daar liggen.”
“Die steentjes? Waarom heeft u die nodig? Dat armoedige hotel, dat zijn naam niet eens waardig is, wordt toch volgende week gesloopt. Dus die steentjes hebben we al helemaal niet meer nodig. Neem ze maar mee als jullie willen.”
Oinoc keek me dolgelukkig aan. Mijn eigen enthousiasme viel nogal mee, moet ik zeggen. Oinoc keek me aan alsof hij me wel levend kon villen, toen ik meer inlichtingen vroeg over Dalcs paleis. “En hoe geraak ik daar precies?”
“Niet”, schudde de bediende verontschuldigend zijn hoofd. “Dalc mag dan wel onze leider zijn, maar er is eigenlijk amper plaats in ons maatschappelijk systeem voor een leider. Daarom heeft hij zijn paleis in het zuiden, vanwaar hij over ons heerst als een onzichtbare en machteloze despoot.”
“Hij heeft dus geen invloed op hoe jullie leven? En die oorlog dan?”, vroeg ik, terwijl ik er hoe langer hoe minder van begreep.
“Daar hebben wij niets mee te maken. Daarom ook dat we in een contradictoire situatie belandden toen we jullie als deserteurs herkenden. Dalc kan jullie wel villen, maar aangezien iedereen het hier met elkaar eens is en er geen straffen bestaan, konden we jullie niets doen. Dalc heeft hier absoluut geen macht, maar toch geniet hij hier van een groot respect. Hij is onze absolute leider, maar vanaf het moment dat hij tweedracht probeert te zaaien door van mening te verschillen met eender wie in de Hoofdstad, is wat hij wil, van geen enkel belang meer.”
“Hoe komt het dat dat niet zo is in de dorpjes in de jungle?”, vroeg Oinoc.
“Daar heb ik geen weet van. Zoals ik al zei, geraakt niemand hier weg. En dat vindt niemand hier erg. We hebben weinig. Maar datgene wat we hebben, willen we met al onze gasten delen.”
“U bent een goede man”, besloot Oinoc. “Te goed zelfs. Mag ik u nog om één gunst vragen? Zou u uw beste ingenieurs kunnen samen roepen om een rijtuig voor ons te maken dat ons ver weg van hier kan brengen? Vanbinnen moet er ruimte zijn voor twee personen, genoeg proviand en de kiezelsteentjes natuurlijk.”
“Maak er drie personen van”, zei ik nors. “De avond voor ons vertrek, neem ik Juliana mee.”

18.

Na enkele weken was het rijtuig klaar. De motor was van de meest vernuftige technologie, speciaal ontworpen om de allerhoogste bergen mee te beklimmen. Al jarenlang hadden de knapste koppen van de Hoofdstad aan de plannen gewerkt, maar nooit was er iemand op het idee gekomen om het rijtuig ook daadwerkelijk te fabriceren. Enerzijds waren de bewoners dus nieuwsgierig naar wat er achter de bergen lag, maar anderzijds wou niemand er weg, ondanks hun vermeende armoede.
Een week na onze ‘vrijlating’, werd ons hotelletje gesloopt. Het deed een beetje pijn in mijn hart toen ik zag dat al dat goud en zilver en al die diamanten en edelstenen met een vrachtwagen naar het stort werd gebracht, om daar weer gerecycleerd te worden. Gelukkig voor ons ontstond er heel wat commotie rond ons vertrek uit de Hoofdstad. We werden op slag populair en plots wou iedereen ons hun kiezelsteentjes cadeau doen. In het begin weigerden we beleefd, maar op den duur konden we echt niet meer nee zeggen.
Wat Juliana betreft, dat had Oinoc me na vele dagen uit mijn hoofd kunnen praten. Als ik echt aanspraak wilde maken op haar, dan moest ik eerst uit de stad wegtrekken en al die diamanten in een bank omruilen voor echt geld, dat in dit deel van de Hoofdstad eenvoudigweg niet bestond. Alleen daarmee zou ik Dalc kunnen uitkopen. “Dalc is niets met kiezelsteentjes uit de Hoofdstad. Voor hem zijn dat echt kiezelsteentjes, maar in de Metropool en de Stad zijn ze van onschatbare waarde. En aangezien Dalc handel voert met de Metropool is onze munteenheid even veel waard in de Hoofdstad. We verruilen dus stront voor geld en worden er schatrijk van, en jij krijgt je Juliana terug”, aldus Oinoc. Ook moest Juliana ergens terecht kunnen waar het beter was dan in het paleis van Dalc. Ik moest dus een veel luxueuzere woning laten bouwen, ver weg van de jungle en van de Hoofdstad.
Zo voerde het voertuig ons op een dag zwaar beladen uit de Hoofdstad weg, met geldtekens in onze ogen en onze blik vastgespijkerd op de horizon. Want daarachter lag de door ons zo gekende wereld, waarin al dat moois dat we in onze koffer hadden ingeslagen, van onschatbare waarde was. Of we nu naar de Metropolis, de Stad of de Havenstad gingen, we zouden er rijker zijn dan wie dan ook op aarde! Blij beet ik nog eens een stuk uit mijn hertenbout. Ze hadden ons goed met voedsel bevoorraad, om onze moeilijke – maar dankzij dit verbazingwekkende rijtuig aangename – klim zonder appelflauwtes door te komen.
Na enkele dagen bereikten we een stad die in de schaduw van de laatste berg lag, met niets dan oerwoud aan de horizon. Welke stad was dit? Hoorde die nog tot Dalcs rijk? Zouden deze inwoners ooit de bergen oversteken? Zouden we hier iets met onze diamanten kunnen aanvangen?
Niet ver van de stad lag een naakte neger op de grond. Zijn beide handen waren afgehouwen.
“Bij Moss, wie heeft jou zo toegetakeld”, riep ik hem toe.
“Mijn heer en meester Vanlerderghem. Ik wacht op zijn terugkomst.”
Oinoc schrok zich een hoedje toen hij die naam hoorde.
“Vanlerderghem, de beroemde grootgrondbezitter?”, vroeg hij de neger.
“Precies.”
“Ik wist wel dat we die naam hier ooit eens gingen horen”, fluisterde Oinoc in mijn oor. “Dalc mag dan wel heer en meester zijn in dit gebied, maar van handel heeft hij geen kaas gegeten. Heer Vanlerderghem zwaait hier met de plak en al wie daar niet mee akkoord gaat, wordt meteen de Bergstad uitgewezen. Iedereen behalve Dalc natuurlijk, die hier de twee jaar helemaal naar hier reist om met zijn belangrijkste handelspartner te komen golven. Vanlerderghem is oppermachtig… en uiterst gevaarlijk.”
De neger schudde zijn hoofd. “Kijk wat hij met mijn handen heeft gedaan.”
“Wat heeft hij met je handen gedaan?”, vroeg ik.
“Wel, ze zijn er niet meer.”
“Dat zie ik ook wel, maar aangezien ik je handen nog nooit gezien heb en je tot nu toe nog niet bepaald informatief bent geweest over het lot van je handen, tast ik nog volledig in het duister wat het lot van je handen betreft.”
Hier moest de neger toch even over nadenken. “Eigenlijk weet ik helemaal niet”, vervolgde hij, “wat hij met mijn handen heeft gedaan nadat hij ze me heeft afgenomen.”
“Zanik dan niet zo en zeg me liever waarom hij je handen heeft afgehakt.”
“Dat komt omdat ik een sigaar uit zijn sigarendoos had gestolen.”
“Eén sigaar?”
“Oké, oké, twee. Jij bent ook niet van gisteren, vreemdeling.”
“Dan.”
“Dan wat?”
“Dan is de naam.”
“Op die manier. Wel, Dan, is mijn naam Van.”
“Wel, Van, die sigaren stelen lijkt me niet echt de slimste zet.”
“En ik was nog zo geliefd door de meester, aangezien mijn naam een deel uitmaakt van zijn naam. Ik voelde me er altijd zo speciaal door, maar de andere negers waren jaloers.”
“En nu heb je geen handen meer.”
“Precies. Nu kan ik niet meer in de plantage werken. En mijn ouders waren nog zo blij toen ik voor de meester kon gaan werken. ‘Onze zoon gaat als slaaf voor een blanke man uit de Metropool werken’, zeiden ze nog trots tegen hun vrienden. Wel, ik kan je één ding zeggen, Dan, een cadeau is het zeker niet. De blanke man behandelt de zwarte man als stront. Dat is altijd zo geweest en dat zal altijd zo blijven. Ik dacht dat ik eeuwig als een hond door de modder zou kruipen voor de meester, maar toen hij mij mijn handen ontnam, werd ik nog minder dan een slaaf, nog minder dan een hond, een papegaai, een insect. Ontneem een man zijn handen en je ontneemt hem alles.”
“Maar ik zie helemaal geen plantages?”
“Die liggen achter de Bergstad, achter de berg.”
“En waarom wacht je op de meester? Wat verlang je dan nog van hem? Wanneer verwacht je hem terug?”
“Hij komt gauw. En dan zal ik eindelijk wraak kunnen nemen. En die zal zoek zijn als het bloed dat ik heb moeten verspillen toen hij me verminkte. Wat zal ik trillen van opwinding wanneer ik eindelijk mijn handen rond zijn hals zal…” Een laat besef snoert zijn mond. “Oh juist.” Een dikke traan rolt over zijn wang en ook ik krijg het moeilijk. Dat iemand uit de Metropool zijn medemens zoiets gruwelijks kan aandoen. Ik kon het echt niet geloven. Stilaan had mijn aangeboren misprijzen voor de neger plaats gemaakt voor iets hogers, iets diepers, iets van groter belang. Ik had medelijden met hem. Nog nooit voelde ik zoveel medelijden voor iemand. Zelfs niet voor Moss. Zelfs niet voor Juliana. De wereld is slecht en de Metropool is de rotste plek uit de appel. Een plek die je moet uitsnijden en wegwerken, en daarna verpletteren met je hiel, zodat er niets dan onbeduidend sap van overblijft. En van die wereld, en uit die Metropool, was ik afkomstig. Ik werd er misselijk van.
Mijn tranen waren nog niet droog, mijn walging nog niet weggeëbd, de storm in m’n hersenpan nog niet gaan liggen, toen we in de Bergstad arriveerden. Het was een drukke bedoening in de smalle straatjes. Het krioelde er van de handelaars, die de weinige klanten van hun superioriteit probeerden te overtuigen. Dat leek me opmerkelijk, want allemaal werkten ze voor hun heer en meester, de grote Vanlerderghem, die de maffiawereld in de Metropool grondig beu was en na een mislukte greep naar de macht door Moss werd verdreven, zo vertelde Oinoc mij.
Te midden van al die straatjes vonden we eindelijk wat we al die tijd hadden gezocht. Een bank. De Metropoolse Bank. De bank, niet van Moss, maar die van Vanlerderghem. Hier zouden we eindelijk onze diamanten in cash kunnen omzetten en zouden we Juliana van de dikke gouverneur kunnen kopen. Nu we hier eindelijk waren aangekomen, wist Oinoc me eindelijk te overtuigen om het geld daar niet voor te gebruiken. Dalc zou een hoge prijs vragen en er zou niets van onze centjes overschieten. Oinoc had andere plannen. Hij wilde naar het Belastingsparadijs, om daar voor eeuwig en een dag te kunnen rentenieren, welverdiend na al die beproevingen die we hadden doorstaan. “Daarom moesten we ze eerst in de Metropoolse Bank omruilen. Dalc verdient al dat geld niet. We kunnen Juliana beter ontvoeren”, besloot hij alsof hij zelf op het idee was gekomen.
“Maar dat had ik toch al die tijd al voorgesteld?”, riep ik onthutst.
“Dat klopt,” lachte hij, “maar ondertussen is er heel wat gebeurd. We ontvoeren haar, Dan. Ik weet dat het zal lukken.”
We informeerden naar de kortste weg naar de Hoofdstad en ontmoetten zo een schipper, wiens sloep voorbij de berg lag, in de belangrijkste waterader die naar de Hoofdstad stroomde, de Rivier.
Toen ik de schipper apart nam en vertelde dat ik Juliana wilde ontvoeren, werd hij plots erg bleek. “Dat… dat meen je toch niet?”, stotterde hij. “Dat wordt mijn dood! En die van jullie erbij! Juliana is de favoriete vrouw van Dalc, en hij duldt niemand in haar nabijheid. Behalve al die handelspartners van hem, waaronder onze meester, Vanlerderghem, die steeds een nacht bij haar mogen slapen, als dank voor de bewezen diensten. De gouverneur is een trots man, maar hij is ook een gierig man.”
“Dus hem omkopen wordt ook niets”, zuchtte ik, dodelijk getroffen door zijn woorden, die als pijlen op me af schoten. Ik riep Oinoc tot mij en begon mijn zoveelste klaagzang. Ik zag het echt niet meer zitten. Al hadden we nog zoveel diamanten, we waren er niets mee, want ik zou er Juliana nooit mee terugwinnen.”
“Niets is veel gezegd”, besloot Oinoc geërgerd. “Wat als we de hele vracht nu eens gewoon in twee delen? Ik vertrek ermee naar het Belastingsparadijs en jij vaart de Rivier af naar de Hoofdstad. Je geeft hem alle diamanten die je hebt en speelt het hard. Als hij nog steeds niet toegeeft, steek je hem neer. Dan ontsnap je met Juliana naar de kust, waar je vast wel een verlaten sloep vindt naar de Havenstad.”
“Maar in de Havenstad…”, begon ik.
Nors sloeg Oinoc me in het gezicht. “Ik ben je smoesjes beu, Dan. Ofwel ga je voor Juliana, ofwel laat je haar en ontsnap je mee met mij naar het Belastingsparadijs, voorbij de monding van de Rivier, in de andere richting dus. Je moet een keuze maken en wat je ook doet, en het maakt me uiteindelijk echt niet meer uit wat je kiest, hou eindelijk eens je bek over Juliana en over al die mannen die haar plat neuken en over hoe jij dat niet kan doen, want ik word er verdomme horendol van!”
Die zat. Ik vermande me, sloeg Oinoc in het gezicht en keerde me om. Met een korte knik naar de schipper en m’n handpalm gevuld met kiezelsteentjes uit de Hoofdstad. “Ik geloof, beste man, dat ik hier enkele steentjes heb die je snel van gedachte zullen doen veranderen.” Het gezicht van de man klaarde op, al waren nog niet alle onrustwolken uit zijn gelaat verdwenen.
“Ik zal je over de rivier naar de Hoofdstad brengen. Morgen moet Vanlerderghem toch die kant uit. Je zal het genoegen hebben hem te ontmoeten. Hij zal de meest nobele man zijn die je ooit hebt ontmoet.”
De gedachte alleen al maakte me plots weer misselijk. Maar ik kon niet anders. Ik moest dat monster wel vergezellen. Resoluut stopte ik de schipper de diamanten toe en stapte ik met al de rest van de lading uit de Hoofdstad de bank binnen. Toen ik weer buiten kwam, had Oinoc al geldtekens in zijn ogen. We deelden de buit in twee en namen afscheid.
“Hoe het ook afloopt,” zei hij, “neem haar weer terug. Ze hoort bij jou. Niet bij zo’n eerzuchtige en sadistische papzak. Maar zorg goed voor haar. Word de beste echtgenoot die ze zich ooit had kunnen inbeelden. Vaarwel, beste Dan.”
“Vaarwel, mijn beste Oinoc. En tot in het Belastingsparadijs. Misschien komen we je daar wel eens opzoeken. Misschien is dat dan toch de enige plek op aarde waar het leven mooi is.”
“Laten we het hopen, Dan. Want veel zulke plekken zijn we op onze omzwervingen helaas nog niet tegengekomen.”
“Het beste, Oinoc.”
Met spijt in het hart zag ik hem vertrekken. De berg op. Naar de aanlegplaats in de Rivier, waar morgen ook mijn reis zal beginnen. In de andere richting. En dan zal ik eindelijk bij Juliana zijn.
De volgende dag werd ik opgewekt wakker. Ik betaalde de herbergier rijkelijk en voegde me bij de schipper, die me nogmaals een fikse som vroeg. Een dikke, weelderig uitgedoste man keek me nieuwsgierig aan. Het was pas aan boord dat hij zich eindelijk aan mij voorstelde.
“Vanlerderghem”, zei hij.
“Dan.”
“U komt me bekend voor. Waar ken ik u van?”
“Het spreekt voor zich dat ik u ken, meester, maar het zou me sterk verbazen mocht u mij kennen”, antwoordde ik snel.
“Ik ben het niet gewoon gezelschap te hebben wanneer ik de gouverneur een bezoekje breng, Dan. U moet echt wel over een fortuin beschikken om met deze schipper en in mijn gezelschap naar de Hoofdstad te kunnen trekken.”
“Dat is ook zo, heer, ik ga belangrijke zaken met Dalc doen.”
“Is dat zo? U weet toch dat ik de enige handelspartner van Dalc ben die van enig belang is?”, vroeg hij dreigend.
“Dat mag u best vinden, heer en meester, maar ik vind de zaak die ik met hem te bespreken heb, zeker niet gering.”
“Brutale vlegel!”, riep hij plots, en hij liet daarbij elke blijk van geveinsde beleefdheid en respect varen. “Ik zal je leren mij te beledigen!”
“Maar ik heb u helemaal niet…”
Meer kon ik niet uitbrengen. Met een harde trap in mijn maag decimeerde hij het gezelschap op de boot met een derde, waardoor ik in de ijskoude Rivier belandde. Ik was er zeker van dat dit mijn dood werd, maar nog voor ik kon verdrinken, spoelde ik tegen de steiger van de aanlegplaats, die in een bocht lag, aan. Zo sterk was de stroming van de rivier.
Woedend en doorweekt haastte ik me terug naar de Bergstad. Hoewel een derde van de som geld in het koffertje zat dat ik altijd bij me droeg en dat dus ook overboord was gedonderd, had Vanlerderghem toch mooi twee derde van mijn geld gepikt. Buiten mezelf van razernij klopte ik aan bij advocaat Vaat, de enige van de Bergstad.
“Ik wil de heer Vanlerderghem aanklagen. Hij heeft een erg grote soms geld van me gestolen en ik wil het terug!”
“In vredesnaam, hou uw mond!”, werd me door de secretaris toegesnauwd. “Dit is een advocatenkantoor. U moet nu een fikse boete betalen voor overlast. En voor de onkosten van dit dure tapijt, dat u helemaal nat heeft gemaakt.”
“Al goed, al goed, maar wat gaat u hiertegen doen?”
“Wat denkt u? De meester is de advocaat van de meester”, grijnsde de secretaris.
“De wat? Wilt u dat nog eens herhalen?”
“U heeft u zonet schuldig gemaakt aan laster en eerroof. Dat gaat u een fikse duit kosten. En aangezien heer Vanlerderghem er met uw geld aan de haal is en dus niet beschikbaar is en zich dus ook niet kan verdedigen, moet u het bedrag ter plekke ophoesten. De zaak is hierbij gesloten. Gelieve het honorarium van meester Vaat ogenblikkelijk te betalen en op te rotten.
“Maar ik heb meester Vaat nog niet eens gezien. Laat staan dat hij…”
“Heeft u hulp nodig bij dat oprotten, of zal dat vanzelf wel lukken? Ik heb een zwarte band karate, dus ik zou een zeer wijze beslissing nemen, als ik in uw schoenen stond.”
Weemoedig sleepte ik me door de smalle straatjes van de stad. Ik was bijna alles kwijt en had zeker niet genoeg geld om naar de Hoofdstad af te reizen. Wat nu gedaan?
Gelukkig was het niet allemaal zo somber en had ik het uitzonderlijke geluk een arme schipper te ontmoeten die me voor een appel en een ei naar de Hoofdstad zou voeren. Deze man, die Keezs heette, was belogen, bedrogen en beroofd door zijn vrouw, afgetuigd en voor dood achtergelaten door zijn kinderen, en werd vervolgd door de inwoners van zijn geboortedorpje niet ver van de Havenstad. Hij was naar de Bergstad afgereisd om er gelukkig en rijk te worden, maar zijn negers waren hem te slim af en gingen er met het weinige dat hij nog had vandoor. Nu had hij enkel nog een armoedige sloep, waarmee hij reizigers van de Hoofdstad langs de Bergstad naar de monding van de Rivier bracht. Tot zover de mythe van onbereikbaarheid die in de Hoofdstad zelf heerste. Hiermee kon hij nog net zijn brood verdienen. Dit was de uitgelezen kans om de Hoofdstad ongezien te bereiken! En terwijl Keezs zijn treurige maar saaie levensverhaal vertelde en ik nogmaals besefte hoe slecht de Havenstad – maar ook de Metropool en de Stad en alle dorpen aan de andere kant van de Grote Plas – moesten zijn, kon ik er toch niets aan doen dat mijn hart keer op keer een vreugdesprongetje maakte. Eindelijk.


maandag 14 januari 2013

Literaire middag Droomstof

Dit weekend reis ik af naar het verre noorden om voor te lezen uit m'n roman Als een Ballon en m'n kortverhaal Het Woud te presenteren. Bestemming Meppel, een pittoresk Nederlands stadje in de provincie Drenthe, tegen Groningen. De eerste literaire middag van het kersverse tijdschrift Droomstof gaat door in het Drukkerijmuseum. Het belooft een boeiende namiddag te worden!

Literaire middag Droomstof
Drukkerijmuseum Meppel
Kleine Oever 11 Meppel

20 januari 2013
14:30-18:00

met poëzie, proza, muziek van:

Gerrit Barbé
Ria Westerhuis
Astrid Voerman
Hester Bouwmeester
Joke Kruid
Gert Vanlerberghe
Berjan de Ruiter

Jonathan Van Limbergen heeft helaas afgezegd.


20 januari belooft nu al een prachtige middag te worden!

Met optredens van dichters als Joke Kruid, Ria Westerhuis en Astrid Voerman.

De schrijver Gert Vanlerberghe laat u kennismaken met zijn diepzinnige proza waar hij bekend om staat. Ook heeft hij sinds kort zijn eerste boek op de markt 'Als een ballon'.

Berjan de Ruiter, Hester Bouwmeester, Jeroen van Huisstede en ik zelf zullen de middag muzikaal aankleden:

Berjan de Ruiter zal covers ten gehore brengen van artiesten als Bruce Springsteen, Neil Young en anderen.

Hester Bouwmeester, Jeroen van Huisstede en ik zelf zullen enkele eigen liederen ten gehore brengen.

Ik hoop u allemaal te kunnen verwelkomen zondag 20 januari, want een betere lancering van mijn tijdschrift (beter gezegd 'ons' tijdschrift, want zonder jullie inbreng ben ik nergens) kan ik mij niet wensen.

Gerrit Barbé (Droomstof)

zondag 13 januari 2013

Lost trace

I forgot the taste of every kiss
That moved my lips in parabolic bliss
That sent out a message of happiness
Straight to my heart, now an aching cyst
How can it be that after years of pain
No memory lingers, it's all in vain
To try to retrieve lost traces of sanity
Some hint of the poetry that used to rule over me
Time has erased all residues of life in me
Replaced it with sadness and boredom and misery
As bitter tears make their way down my face again
I can't help noticing I'm not yearning for that kiss
But for a very small bit of its memory

written in a train somewhere between Ottawa and Toronto - G.

woensdag 9 januari 2013

Agenda voorjaar 2013

Het jaar is nog maar net begonnen en ik heb al enkele optredens gepland. Check ze hieronder.
Januari

10 januari 2013 – Muzeval, Den Hopsack, Antwerpen

20 januari 2013 – Literaire Dag Droomstof, Meppel (NL) - met Gerrit Barbé (NL), Ria Westerhuis (NL), Joke Kruid (NL), Astrid Voerman (NL), Berjan de Ruiter (NL) etc.

24 januari 2013 – Vitalski’s Stand-Up Tragedy, Zurenborg, Antwerpen

26 januari 2013 – Drink My Puke op Instant Death Fest, De Moeve, Lier – met Incinerate, Decross en Goreforce 5
Februari

4 februari 2013, 20u30 - You On Stage, Kavka, Antwerpen - met Micromarco Macrobiotic, Dimis Verdellis, HIGGS, D-Will, Kfresh, Arnold QuartjeNeger, Amanda Malinka, Nabil Khazzaka etc.

23 februari 2013, 20u30 – Literair huiskamerconcert, Turnhout - met Collectief Dichterbij (Wim Paeshuyse, Meer Van Peer, Charlotte Van den Broeck, Liesbeth Aerts etc.)


Maart

4 maart 2013, 20u30 - You On Stage, Kavka, Antwerpen - op het vrij podium na Vincent Van den Branden, Kleo Klapholz, Marie Ghoos etc.

10 maart 2013, 14u - Common Café 2, Elcker-Ik Centrum, Antwerpen - met Dogs of Cibola, Kobalt, De Auteur, René Broels en Mieke de Loof

17 maart 2013, 18u - Drink My Puke, Chaos Bar, Leuven - met Merciless Precision (UK) en Meatpacker (UK)

30 maart 2013, 19u - Anale Bezem op Grind Core Night, Vort'n Vis, Ieper - met Sickening Entertainment en Kaasschaaf (NL)

April

1 april 2013, 20u30 - You On Stage, Kavka, Antwerpen - op het vrij podium na Tom Driesen, Bruno Bittoun, An Kenis etc.

4 april 2013, 19u – Drink My Puke en Anale Bezem op Crapfest, JH Bouckenborgh, Merksem – met Rotten Hond, Kiekenstront en Scumbagsaurus


10 april 2013, 19u30 - Ballonnenvrees, 't Werkhuys, Borgerhout - met Nabil Khazzaka, Alain Huber, Julie Cafmeyer, Von Solo (NL), Rotterdamse Keet (NL), Charlotte Van den Broeck, Nikos Van Tichelen, Jonathan Van Limbergen, Hanan Smaisim (NL) en Vincent van Meerbeeck

25 april 2013, 18u - openingsavond KuVaLe, Kartuizerklooster, Leuven - met Maaike Everaerts, Lysander Fockaert, Philip Rabaey en Kristien De Schepper

Mei

1 mei 2013, 15u - Feest van den Boom, 't Werkhuys, Borgerhout - met Société Anonyme, Kroket, Creatief Schrijven etc. 

6 mei 2013 - Drink My Puke op Grind/Speedcore Evening, Music City, Antwerpen - met Pressterror (DE), Yudlugar (UK) en Discokiller vs. VRV


Juni

 26 juni 2013, 19u30 - Ballonnenvrees, 't Werkhuys, Borgerhout - met Ann Kenis, Derrel Niemeijer (NL), Daan Taks (NL), Antistresspoweet, Tryggve Bauweraerts, Het Bochelprincipe, Runa Svetlikova, Sven De Swerts, Tom Driesen en Charlotte Van den Broeck

27 juni 2013, 18u - Fenix Festival, Provinciehuis, Antwerpen - met Yannick Moyson, Arnold Quartjeneger, Soe, Tom Du Four, Skinny Dynamite, Ann Kenis, Zino Moons, Tom Driesen, Tryggve Bauweraerts, Het Bochelprincipe, Dogs of Cibola, The Deer Friends etc.



Juli

1 juli 2013, 19u30 - You On Stage, De Kleine Hedonist, Antwerpen - op het vrij podium na Arnold Quartjeneger, Tryggve Bauweraerts, Het Bochelprincipe, Frank Mathijs, Latif Ait, Caroline Smet etc.

21 juli 2013, 18u00 - Dichters in't Raam!, Lotte's Leescafé, Gentse Feesten - met Antistresspoweet, Derrel Niemeijer (NL), Sven De Swerts, Inge Braeckman, Christophe Vekeman, Ann Slabbinck, Lerr, Runa Svetlikova, Letterfretter Mike, Arjan Onderdenwijngaard (NL), Bart Van Looy, Karma Suckt, Flo, Frank Aesaert, René Van Densen (NL), Anton Voloshin, Het Vindingrijk Genootschap etc.

27 juli 2013, 12u00 - Kerkstraat Plage, voor het Troubleyntheater, Antwerpen - met Meer van Peer, Julie Beirens, The Orthodox, Jens Lestage, The Jamming YOS Crew, Gert Vanlerberghe en De Kleine Fampjes



Meer Ballonnenvrees:

27 september 2013, Turnhout

9 oktober 2013, 't Werkhuys
30 oktober 2013, De Kleine Hedonist

Like Ballonnenvrees op Facebook!


zondag 6 januari 2013

Monthly singles chart

Mono still at the number one position!


  1. Mono - Nostalgia
  2. M83 - Wait
  3. Röyksopp feat Susanne Sundfør - Running To the Sea
  4. Mono - Legend
  5. Biffy Clyro - Black Chandelier
  6. Line & Circle - Roman Ruins
  7. Deftones - Tempest
  8. Yeasayer - Reagan's Skeleton
  9. Creature With the Atom Brain feat Mark Lanegan & Alain Johannes - Black Rider Run
  10. AmenRa - Boden-Spijt
  11. Animal Collective - Applesauce
  12. Villagers - The Waves
  13. Metz - Wet Blanket
  14. Rhye - The Fall
  15. Foals - Inhaler
  16. The Soft Moon - Die Life
  17. Kasabian - Let's Roll Just Like We Used To
  18. Montevideo feat Lara Chedraoui - Fate & Glory
  19. Dogs of Cibola - Riding Hood
  20. ...And You Will Know Us By the Trail of Dead - Up To Infinity
  21. Josh Homme and David Sardy - Nobody To Love
  22. Paul Banks - The Base
  23. Atoms For Peace - Default
  24. ...And You Will Know Us By the Trail of Dead - Catatonic
  25. The Datsuns - Gold Halo
  26. Alice In Chains - Hollow
  27. Nick Cave & the Bad Seeds - We No Who U R
  28. Balthazar - Do Not Claim Them Anymore
  29. Lord Huron - Time To Run
  30. Beach House - Wild


Literaire tip: The New York Trilogy

Tijd om een van m'n favoriete schrijvers nog eens onder de loep te nemen. Vandaag heb ik de twee eerste hoofdstukken van Mr Vertigo gelezen en al van in het begin geraakte ik weer in de ban van de Auster-magie. Ondertussen heb ik al heel wat van zijn romans gelezen. Zo kan ik Invisible, The Brooklyn Follies en Man in the Dark aanraden, al blijft zijn debuut, The New York Trilogy, de beste eerste kennismaking met zijn werk. Mijn favoriet is en blijft Leviathan, het tweede boek dat ik van hem las. Met Travels In the Scriptorium zou ik toch wachten tot je al enkele romans erdoor hebt gejaagd, en dan zeker Leviathan, het is namelijk een werkje met heel wat verwijzingen naar zijn andere romans.
Austers romans volgen vaak een interessant patroon over een jongeman die naar de grote stad trekt - meestal is dat New York - met een droom of een ambitie, maar al gauw leert dat het leven een bikkelharde strijd is, en dat er heel wat externe factoren zijn die die droom kunnen tegenwerken. En maar al te vaak blijkt de belangrijkste factor de overheid te zijn. Austers hoofdpersonages zijn dan ook figuren met een hoek af, wier grootste verlangen niet strookt met wat door de samenleving als normaal wordt gepercipieerd, of die in het verleden een grote fout hebben gemaakt, waar ze nog lang voor moeten boeten. Ook ontmoeten zijn ietwat naïeve protagonisten even excentrieke figuren, die hun leven voorgoed veranderen. Zo ontmoet de gekwelde student Adam Walker de geheimzinnige professor Rudolf Born, en wordt Walter Rawley als kind van de straat geplukt door de Hongaarse man in black Master Yehudi. Peter Aarons beste vriend Benjamin Sachs begint zo'n turbulent leven te leiden dat het zijne volledig in het teken van Sachs' rebellie tegen de overheid komt te staan. Marco Fogg was bijna dood wanneer zijn vriend Zimmer en Kitty Wu, de liefde van zijn leven, hem van zijn zwerversleven in Central Park redt. Hij begint te werken voor Thomas Effing, een zonderlinge man met een ongelofelijk verleden... En wanneer Miles Heller in een kraakpand in Sunset Park belandt en de inwoners leert kennen, gaan ook voor hem de poppen aan het dansen. Niet centraal maar wel steeds aanwezig in het werk van Auster is baseball, een grote passie voor deze schrijver uit Brooklyn.

Omdat ik in enkele jaren tijd een grote fan van hem ben geworden, heb ik een top gemaakt van mijn favoriete romans van Paul Auster. Mr Vertigo voor het gemak op de laatste plaats, maar iets zegt me dat ook deze roman een favorietje zal worden!


1.       Paul Auster – Leviathan (1992)
2.       Paul Auster – Invisible (2009)
3.       Paul Auster – Moon Palace (1989)
4.       Paul Auster – Man in the Dark (2008)
5.       Paul Auster – The Brooklyn Follies (2005)
6.       Paul Auster – Sunset Park (2010)
7.       Paul Auster – The New York Trilogy (1987)
8.       Paul Auster – Travels In the Scriptorium (2006)
9.       Paul Auster – Timbuktu (1999)
10.    Paul Auster - Mr Vertigo (1994)

The New York Trilogy (1987) bestaat uit drie korte verhalen, respectievelijk City of Glass, Ghosts en The Locked Room.
City of Glass wordt wel eens de perfecte anti-detective genoemd. Wat op het eerste gezicht een interessant detectiveverhaal is, wordt een complex meta-tekstueel verhaal - met verschillende lagen van identiteit: personage/verteller/auteur in een soort van mise-en-abyme, een eerder ingewikkeld maar speels kluwen dat een loopje neemt met het traditionele detectiveverhaal - een meta-mysterie, als het ware, dus het mysterie van een mysterie. Daniel Quinn is eigenlijk een detectiveschrijver, maar wanneer hij met de detective Paul Auster wordt verwisseld en een mysterieus telefoontje krijgt om een zekere Peter Stillman te schaduwen, die een bedreiging vormt voor zijn zoon, die ook Peter Stillman heet, besluit hij de identiteit van deze Paul Auster aan te nemen. Peter Stillman wil zijn zoon namelijk de 'mensentaal' afleren om hem zo een soort van superieure taal aan te leren. Dat ook taal centraal staat in een roman, is eveneens een interessant post-modernistisch trekje. Stilaan valt Daniels wereld uit elkaar, aangezien het steeds kleiner wordt, alsof beetje bij beetje het hele decor naar de coulisse wordt gesleept. En dan is er nog de vette knipoog naar Don Quixote, wanneer Daniel Quinn een bezoekje brengt aan Paul Auster - het personage Paul Auster welteverstaan - die hem het relaas doet van de wankele identiteit van de schrijver van dit middeleeuwse meesterwerk.

De opzet van Ghosts lijkt op het eerste gezicht eenvoudiger. Het telt slechts enkele personages, die bijna allegorisch overkomen, aangezien ze naar kleuren vernoemd zijn. Detective Blue werd door Brown getraind en moet zich nu in een appartement in Orange Street verschalken om in opdracht van White een zekere Black te bespioneren. Al gauw wordt duidelijk dat het niet enkel Blue is die White bespioneert, en dat alles veel ingewikkelder is dan het lijkt. De afwezigheid van en mysterie rond White en het monotone in de gaten houden van Black, zorgen ervoor dat Blue stilaan de pedalen begint te verliezen. Wat is er in godsnaam aan de hand?


Het meest ontroerende van de drie verhalen is The Locked Room, waarin het hoofdpersonage het leven van zijn vriend Fanshawe, die is overleden, overneemt en diens fictie publiceert. Hij trouwt met zijn vrouw en ze worden heel gelukkig, en hij steekt al zijn energie in het werk van Fanshawe, dat zo briljant is, dat Fanshawe op slag een literaire ster wordt. Wanneer blijkt dat Fanshawe nog leeft en het hele complot uit noodzaak heeft bedacht, voelt de verteller zich een speeltje in de handen van zijn dood gewaande vriend en besluit hij hem, tegen beter weten in, op te zoeken.

In deze drie novellen draaien rond identiteit en het verlies ervan, en gebruikt Auster het genre 'detective' om er iets heel interessants mee te fabriceren, namelijk drie pareltjes van Amerikaanse postmodernistische fictie, in het bijzonder meta-tekstuele fictie, iets waar Paul Auster nog vaak mee zal experimenteren in zijn latere werk.

Lees ook mijn stukjes over Leviathan en Sunset Park.